Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:19377
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
2,604 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.26499
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2004, V-nummer: [V nummer 1] ,
verzoeker 1
en
[verzoeker 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2008, V-nummer: [V nummer 2] ,
verzoeker 2
beiden van Marokkaanse nationaliteit,
hierna gezamenlijk: verzoekers
(gemachtigde: mr. V. Sarkisian)
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).
Procesverloop
Met de besluiten van 27 mei 2025 heeft verweerder de aanvragen van verzoekers van 12 mei 2025 tot het verlenen van een visum voor kort verblijf, voor de periode van 29 juni tot en met 13 augustus 2025, afgewezen.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 27 mei 2025. Zij hebben daarnaast op 13 juni 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen waarmee verweerder wordt opgedragen om verzoekers te behandelen als ware zij in het bezit van de gevraagde visa.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Spoedeisend belang
1. Indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dit staat in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
1.1.
Verzoekers voeren aan sprake is van onverwijlde spoed. Zij willen met hun moeder op bezoek bij familie in Nederland. De aanvraag van hun moeder voor een visum voor kort verblijf is al ingewilligd en de geldigheid van haar visum loopt af op 13 augustus 2025. Zij kunnen een beslissing op hun bezwaren daarom niet afwachten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers hiermee aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van onverwijlde spoed.
Besluitvorming
2. Verweerder heeft de aanvragen van verzoekers afgewezen. Volgens verweerder hebben verzoekers het doel en de omstandigheden van hun voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond. Ook moet er volgens verweerder getwijfeld worden aan het voornemen van verzoekers om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van de geldigheid van de gevraagde visa te verlaten.
Standpunt van verzoekers
3. Verzoekers voeren aan dat zij het doel en de omstandigheden van hun voorgenomen verblijf wel degelijk voldoende hebben aangetoond. Zij hebben verklaard dat zij met hun moeder op vakantie willen naar Nederland om familie hier te bezoeken. De aanvraag van de moeder van verzoekers voor een visum voor kort verblijf voor deze vakantie is ook al ingewilligd. Verzoekers begrijpen daarom niet waarom verweerder hen tegenwerpt dat zij het doel en de omstandigheden van hun verblijf niet voldoende hebben aangetoond. Verzoekers voeren verder aan dat zij in Marokko naar school gaan en studeren. Zij hebben ook verklaringen van hun respectievelijke onderwijsinstituten overgelegd waar dit uit blijkt. Daarnaast wonen verzoekers met hun moeder en zussen samen in Marokko, waar zij hun hele leven hebben gewoond en waar hun sociale kring zich bevindt. Bovendien staat hun oom, die tevens hun referent is, garant voor hun tijdige terugkeer. Hiermee hebben zij hun sociale binding met Marokko voldoende aangetoond, zodat hun tijdige terugkeer als voldoende gewaarborgd kan worden beschouwd.
Standpunt van verweerder
4. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat de gevolgen van toewijzing van de voorlopige voorziening onomkeerbaar zijn en dat de verzochte voorzienig daarmee feitelijk een voorlopig karakter mist. Toewijzing heeft namelijk tot gevolg dat verzoekers Nederland mogen inreizen en dat daarmee de feitelijke situatie ontstaat die verzoekers met hun aanvraag beoogd hebben, terwijl verweerder nog niet op de door hun ingediende bezwaren heeft beslist. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden bestaat er aanleiding om te bepalen dat verweerder een aanvrager gedurende de bezwaarprocedure dient te beschouwen als ware hij in het bezit van een visum. Zo’n vergaande beslissing is alleen gerechtvaardigd indien een zwaarwegend spoedeisend belang daarom vraagt en er sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit.
4.1.
Volgens verweerder hebben verzoekers geen zwaarwegend spoedeisend belang bij toewijzing van de door hun gevraagde voorlopige voorziening. Hoewel verweerder de wens van verzoekers begrijpt om samen met hun moeder op vakantie naar Nederland te gaan, maakt deze omstandigheid niet dat hun verblijf in Nederland noodzakelijk is. Hierbij is volgens verweerder van belang dat verzoekers zelf tot het laatste moment hebben gewacht om hun visumaanvraag in te dienen. De aanvraag is pas op 12 mei 2025 ingediend terwijl de voorgenomen binnenkomst van verzoekers in Nederland al op 29 juni 2025 gepland stond. Daarnaast kan er volgens verweerder niet getwijfeld worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit. Verzoekers hebben hun sociale en economische binding met Marokko onvoldoend aangetoond. Dit vormt een zelfstandige afwijzingsgrond.
4.2.
Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder verder verklaard dat verweerder voornemens is uiterlijk woensdag 30 juli 2025 een beslissing op de bezwaren te nemen. De gemachtigde kon zich niet uitlaten over de inhoud van deze beslissing. Desgevraagd kon hij ook niet zeggen of er, indien er aanleiding zou zijn om verzoekers in bezwaar te horen, ook op 30 juli 2025 of althans vóór 13 augustus 2025 (de datum waarom het visum van de moeder van verzoekers verloopt) een beslissing wordt genomen. Partijen hebben op zitting bevestigd dat verzoekers in hun bezwaarschriften hebben verzocht om gehoord te worden indien die bezwaren niet aanstonds leiden tot verlening van de gevraagde visa.
Oordeel van de voorzieningenrechter
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gevraagde voorlopige voorziening geen voorlopig karakter heeft, omdat deze ertoe strekt dat verzoekers Nederland mogen inreizen terwijl verweerder nog niet op hun bezwaren heeft beslist. Toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening heeft daarmee tot gevolg dat verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld. Een dergelijk verzoek om een voorlopige voorziening kan slechts in uitzonderlijke gevallen voor toewijzing in aanmerking komen, namelijk in die gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek van verzoeker in verhouding tot het belang van verweerder bij de handhaving van die afwijzingen zo onevenredig zijn dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht.
5.1.
Voor een dergelijke vergaande beslissing is in beginsel slechts plaats indien een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noopt of sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Anders dan verweerder in het verweerschrift stelt gaat het hier niet om cumulatieve voorwaarden. De voorzieningenrechter ziet ook niet in waarom deze voorwaarden cumulatief zouden zijn. Als sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit én er daarnaast sprake is van een spoedeisend belang, dan kan dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende zijn om de verzochte voorziening toe te wijzen. In het kader van een effectieve rechtsbescherming acht de voorzieningenrechter het niet passend om in een dergelijke situatie ook nog te eisen dat er sprake moet zijn van een zwaarwegend spoedeisend belang, en om verweerder per definitie in de gelegenheid te stellen om opnieuw te beslissen, als van een dergelijk belang niet is gebleken. Dit geldt in de onderhavige zaak temeer nu verweerder niet met zekerheid heeft kunnen aangeven dat er binnen een week, of in ieder geval voor 13 augustus – de datum waarop het visum van de moeder verstrijkt -, een beslissing op de bezwaren van verzoekers zal worden genomen.
5.2.
De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de voorlopige voorziening moet worden toegewezen, omdat er sprake is van een spoedeisend belang en er sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers het doel en de omstandigheden van hun verblijf namelijk voldoende aangetoond. Zij hebben verklaard dat zij met hun moeder op bezoek willen bij familie in Nederland. Bij de visumaanvraag van hun moeder was dit blijkbaar voldoende om tot inwilliging over te gaan. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom dit in het geval van verzoekers onvoldoende zou zijn.
5.3.
Daarnaast hebben verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aangedragen om uit te kunnen gaan van een tijdige terugkeer.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst de gevraagde voorziening toe met ingang van de dagtekening van deze uitspraak tot en met 13 augustus 2025. Dit houdt in dat verweerder verzoekers in die periode moet behandelen als ware zij in het bezit van een visum voor kort verblijf.;
- bepaalt dat verweerder de proceskosten van verzoekers moet vergoeden tot een bedrag van € 1.814,- ;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van €194,- aan verzoekers moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.