Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-09
ECLI:NL:RBDHA:2025:19360
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,842 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-4205
Zaaknummer: C/09/667835
Datum beschikking: 9 juli 2025
Omgang- en informatieregeling
Beschikking op het op 22 mei 2024 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
verblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Op 4 juni 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de advocaat van de vrouw;
de moeder (via een telefonische verbinding);
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
- Partijen zijn gehuwd geweest van [dag 1] 2015 tot [dag 2] 2021.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 3] ;
- Bij beschikking van deze rechtbank van 9 januari 2023 is – voor zover van belang –
een verzoek van de moeder tot vaststelling van een zorgregeling afgewezen.
- De vader is bij beschikking van 18 april 2023 van deze rechtbank alleen met het
gezag over de minderjarigen belast.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot:
het treffen van een regeling inzake de omgang tussen de moeder en de minderjarigen, in die zin dat de moeder verzoekt een omgangsregeling vast te leggen gebaseerd op een onderzoek en rapport door de Raad en die in het belang van de kinderen is;
een informatieregeling vast te leggen, inhoudende dat de vader de moeder één keer per twee weken informeert over de ontwikkelingen van de kinderen, vergezeld van recente foto’s van de kinderen.
De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Omgangsregeling
Wijziging van omstandigheden
De rechtbank is gebleken dat na voormelde beslissing over de zorg-/omgangsregeling de omstandigheden zijn gewijzigd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Gedurende de eerdere procedure tussen partijen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling, is de moeder ernstig ziek geworden. Bij haar is de ziekte van Wernicke geconstateerd. Na een ziekenhuisopname is zij een revalidatietraject gestart. Hoewel bij de moeder ten gevolge van haar ziekte blijvend sprake is van niet-aangeboren-hersenletsel en zij ook fysieke beperkingen heeft, is haar situatie inmiddels gestabiliseerd. Anders dan ten tijde van de voorgaande procedure heeft de moeder inmiddels een permanente woonplek bij [instelling] . Daar komt nog bij dat ten tijde van de voorgaande procedure de vader met de kinderen de moeder bezocht. De kinderen hebben hun moeder inmiddels al twee jaar niet meer gezien. De rechtbank ziet in deze omstandigheden voldoende wijziging om opnieuw te beoordelen of ruimte bestaat voor de vaststelling van een omgangsregeling. De rechtbank zal de moeder daarom ontvangen in haar verzoek.
Beoordeling
De moeder verzoekt om een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en de kinderen. Zij wil dolgraag weer contact met [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Haar situatie is inmiddels stabiel en zij is in staat om met de kinderen de communiceren. Zij heeft ook contact met haar jongere zoontje uit een andere relatie en dit verloopt goed. Tegelijkertijd begrijpt de moeder dat de omgang tussen haar en de kinderen niet zomaar kan worden opgestart. Zij verzoekt daarom een Raadsonderzoek te gelasten, zodat in kaart kan worden gebracht wat de mogelijkheden zijn.
De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat geen ruimte bestaat voor omgang tussen de moeder en de kinderen. Hoewel zij in een ideale situatie onbelast contact met elkaar zouden moeten kunnen hebben, is dit naar zijn mening niet haalbaar. De eerdere bezoekjes aan de moeder verliepen moeizaam en de kinderen lieten steeds meer weerstand zien. Daarnaast heeft de moeder valse meldingen gedaan bij Veilig Thuis, wat zijn vertrouwen in de moeder nog verder heeft verminderd. Het gaat inmiddels naar omstandigheden goed met de kinderen. De kinderen zijn gebaat bij rust en stabiliteit. Een onderzoek door de Raad is te belastend voor hen, omdat zij nu al kampen met leerachterstanden, kindeigen-problematiek en de gevolgen van de nare gebeurtenissen in het verleden.
De rechtbank is, gelet op dat wat uit het dossier en op de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat zij op dit moment onvoldoende is voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen over de omgang tussen de moeder en de kinderen. Er is sprake van een complexe situatie, gelet op (de gevolgen van) de ziekte van de moeder, de problematiek van de kinderen zelf en de gebeurtenissen in het verleden. Ten aanzien van het laatstgenoemde geldt daarbij dat door beide partijen niet is toegelicht wat zich destijds precies heeft afgespeeld, zodat de rechtbank hier geen beeld van heeft. Naar oordeel van de rechtbank is een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming daarom aangewezen. Anders dan door de vader is betoogd, is de rechtbank daarbij van oordeel dat het belang van de kinderen bij een onderzoek naar de mogelijkheden tot contact met hun moeder op dit moment zwaarder weegt dan hun belang om niet belast te worden met een raadsonderzoek. Het onderzoek door de Raad dient het volgende in kaart te brengen:
Wat is de situatie van de moeder en welke belemmeringen en mogelijkheden bestaan daarbij?
Wat is de situatie van de kinderen en welke belemmeringen en mogelijkheden bestaan daarbij?
Bestaan er mogelijkheden tot contact, zowel aan de zijde van de moeder als aan de zijde van de kinderen?
Indien de voorgaande vraag positief is beantwoord: welke mogelijkheden bestaan er en welke rol kan de reeds betrokken of aanvullende hulpverlening (eventueel via een derde instantie) daarbij spelen?
De rechtbank zal het verzoek van de moeder inzake de omgangsregeling aanhouden in afwachting van de resultaten van het Raadsonderzoek. Gelet op de hiervoor beschreven situatie van de moeder en de kinderen, ziet zij geen mogelijkheden om in de tussentijd een voorlopige zorgregeling vast te stellen. Indien de Raad gedurende het onderzoek concludeert dat omgang niet in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen, kan zij hiertoe de eventueel benodigde hulpverlening wel alvast opstarten. Daarnaast zal in de komende periode worden gestart met videoberichten vanuit de moeder, zoals hierna nader aan de orde komt.
Informatieregeling
Op de zitting is gesproken over de door de moeder verzochte informatieregeling. Daarbij is ook aan de orde gekomen dat partijen een paar maanden geleden in onderling overleg hebben afgesproken dat de moeder een videofragment aan de vader zou sturen, zodat hij dit aan de kinderen kon laten zien. Overeengekomen is dat de moeder dit videofragment via [instelling] zal toesturen aan de vader en dat zij dit vervolgens één keer per twee maanden zal blijven doen. De vader zal van zijn kant de moeder per post voorzien van informatie over de kinderen, vergezeld van een recente foto. Daarbij zal de vader ook ingaan op de reactie van de kinderen op de video’s van de moeder. Partijen hebben afgesproken dat de moeder de foto’s en informatie die zij van de kinderen ontvangt niet op social media zal plaatsen of op een andere manier zal verspreiden. De rechtbank vult daarop aan dat dit uiteraard ook geldt voor de vader ten aanzien van de video’s van de moeder.
Om deze informatieregeling qua tijdspad goed te laten verlopen, zal de rechtbank vaststellen dat de ene maand (steeds op de eerste van de maand) de moeder een video stuurt aan de vader, en de vader vervolgens de maand erop (weer op de eerste van de maand) per post zal reageren en informatie zal sturen aan de moeder via [instelling] . Ervan uitgaande dat de moeder naar aanleiding van de zitting de video al heeft toegestuurd, zal de vader daarop per 1 juli 2025 reageren (voor zover hij dat nog niet heeft gedaan, doet hij dit zo spoedig mogelijk na het ontvangen van de beschikking). Vervolgens stuurt de moeder weer op 1 augustus 2025 een video, reageert de vader daarop op 1 september 2025, et cetera.
De rechtbank zal deze informatieregeling vastleggen.
Dictum
De rechtbank:
bepaalt een informatieregeling, waarbij:
- in de even maanden: de moeder op de eerste van de maand een video voor de
kinderen toestuurt aan de vader;
- in de oneven maanden: de vader op de eerste van de maand schriftelijk (per post)
informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen, voorzien van een recente foto van de kinderen, waarbij de vader ook ingaat op de reactie van de kinderen op de video van de moeder;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
indien de raad van mening is dat een omgangsregeling niet in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen verzoekt de rechtbank de raad een vervolgonderzoek te doen naar de wijze waarop omgang gerealiseerd kan worden;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot 15 november 2025 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht
aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op een zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling op een zitting ieder via de eigen advocaat op te roepen;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.M. Vingerling, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 juli 2025.