Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:19333
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,162 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.17455 (beroep) en NL25.17456 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1977, van Turkse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het hier niet mee eens. Volgens eiser is er een verschil in beschermingsbeleid tussen Nederland en Zwitserland. Eiser zal door Zwitserland worden teruggestuurd naar Turkije. Daar loopt hij het risico om in strijd met artikel 3 van het EVRM te worden behandeld. De rechtbank is van oordeel dat de minister Zwitserland terecht verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van eisers asielaanvraag en de asielaanvraag van eiser niet aan zich heeft hoeven trekken. Het beroep van eiser is daarom ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Inleiding
1. Met het besluit van 14 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn overdracht aan Zwitserland te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft de zaken op 7 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn – met voorafgaande kennisgeving – niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser heeft op 26 februari 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 4 oktober 2023 in Zwitserland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Om deze reden heeft Nederland op 3 maart 2025 de autoriteiten van Zwitserland verzocht om eiser terug te nemen. Zwitserland heeft dit verzoek op 4 maart 2025 aanvaard.
Bestreden besluit
5. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Het standpunt van eiser
6. Eiser zegt dat als hij teruggaat naar Zwitserland hij van daaruit naar Turkije gestuurd zal worden. In Turkije is hij bang dat hij zeer slecht behandeld zal worden. Dit is een beroep op het verbod op (indirect) refoulement. Eiser heeft genoeg laten zien dat leden van de HDP en activisten zoals hijzelf in Nederland wel internationale bescherming kunnen krijgen, maar in Zwitserland niet. Hij wijst ter onderbouwing van dit standpunt op een persbericht van 15 november 2024, met als titel: “Refugee status of Turkish asylum seekers”.
Beoordeling
7. Het uitgangspunt is dat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Zwitserland, dat net als Nederland partij is bij het EVRM en het Handvest, zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat in Zwitserland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Hij heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat in Zwitserland sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen. Eiser heeft met het persbericht van 15 november 2024 niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, zijn niet relevant voor een overdrachtsbesluit. Alleen als de vreemdeling aannemelijk maakt dat in die lidstaat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken.
7.2.
Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen is het niet aan deze rechtbank om in het kader van een Dublinoverdracht het risico op refoulement in Zwitserland verder te onderzoeken. Met het claimakkoord garanderen de Zwitserse autoriteiten dat eiser de mogelijkheid krijgt om daar een nieuw asielverzoek in te dienen. Er zal een individuele beoordeling plaatsvinden, met inbegrip van het eventuele risico dat eiser loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Als eiser voor refoulement vreest, dient hij deze vrees in Zwitserland aan te kaarten.
7.3.
De minister heeft tot slot in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser onverplicht aan zich te trekken.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
9. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
10. Er bestaat geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (hierna: de Dublinverordening).
Vreemdelingenwet 2000.
In strijd met artikel 3 van het EVRM.
Halkların Demokratik Partisi, naar het Nederlands vertaald, betekent dit Democratische Volkspartij.
Tribunal administrativ federal, St. Gallen.
Met zaaknummer E-4103/2024.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Dit volgt onder andere uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934. en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Dit volgt uit rechtsoverweging 6.4 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.