Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:19308
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
965 tokens
Inleiding
ERECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48963
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Verweerder heeft op 15 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 7 augustus 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 6 augustus 2025.
4. Eiser refereert zich aan het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het voorduren van de maatregel van bewaring.
5. Uit de door verweerder overgelegde stukken volgt dat de Algerijnse autoriteiten nog geen laissez-passer (LP) hebben verstrekt. Niet is echter gebleken van feiten of omstandigheden om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt. Verder heeft verweerder ook over de afgelopen periode voldoende voortvarend gehandeld door periodiek bij de Algerijnse autoriteiten navraag te doen naar de afgifte van een LP en door met eiser vertrekgesprekken te houden. Een op 11 september 2025 geplande presentatie is op initiatief van eiser geannuleerd, terwijl een goede reden daarvoor niet is gesteld of gebleken. Verder kan, gezien de verslagen van de met eiser gehouden vertrekgesprekken op 12 augustus en 12 september, niet worden gezegd dat eiser zijn volledige medewerking geeft aan zijn terugkeer.
6. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 oktober 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2025:14745.