Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:19293
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,170 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.52061
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als pleegkind bij [referent] (referent). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe één beroepsgrond aan, namelijk dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag om een mvv in stand kan blijven. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat hij in de bezwaarfase heeft mogen afzien van horen, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Referent heeft namens eiseres een aanvraag voor een mvv voor verblijf als pleegkind bij haar ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 2 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 december 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Achtergrond van deze zaak
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2009, heeft de Sierra Leoonse nationaliteit en woont in Sierra Leone. Zij is enig kind. Haar moeder is overleden tijdens de ebola-epidemie in 2014. Haar vader is sinds de relatiebreuk, toen eiseres nog jong was, uit beeld en heeft geen contact met haar. Referent is de tante van eiseres, namelijk de zus van haar moeder en heeft zelf een dochter ([naam dochter]). Vanaf het overlijden van de moeder tot aan het vertrek naar eerst Griekenland en vervolgens Nederland, heeft referent voor eiseres gezorgd. Tot aan dat vertrek verbleven eiseres en de dochter van referent samen. Na het vertrek van referent woont eiseres in Sierra Leone bij een nicht van referent.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de door eiseres aangevraagde mvv afgewezen, omdat uit de beoordeling blijkt dat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor verblijf als pleegkind bij referent, zoals bedoeld in artikel 3.28 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De minister heeft daarom afgezien van het horen in bezwaar op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit de feiten en omstandigheden blijkt niet dat sprake is van daadwerkelijke, hechte persoonlijke banden tussen eiseres en referent, dan wel tussen eiseres en de dochter van referent. In dat verband is overwogen dat referent enkel heeft gesteld dat zij al vóór haar vlucht voor eiseres heeft gezorgd, maar niet met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd dat zij minimaal een jaar voor eiseres heeft gezorgd en haar heeft opgevoed. Bij de aanvraag heeft referent vijf foto’s overgelegd van haarzelf, haar dochter en eiseres, evenals bewijzen van geldovermakingen aan haar nicht. Verdere aanvullende bewijsstukken met betrekking tot de door referent gestelde hechte banden met eiseres, of tussen eiseres en de dochter van referent, zijn niet overgelegd. Ten aanzien van de aanvullende voorwaarden uit paragraaf B7/3.7.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, wordt opgemerkt dat niet is aangetoond dat referent het voogdijschap over eiseres heeft. De gemachtigde van eiseres heeft in haar brief van 20 maart 2024 aangegeven dat referent al enige tijd bezig is met het juridisch regelen van de feitelijke situatie (voogdij) en dat bewijsstukken hierover zouden worden nagezonden. Tot op heden is echter geen enkel bewijsstuk met betrekking tot de voogdij ontvangen, aldus de minister. De minister heeft toegezegde documenten met betrekking tot het voogdijschap niet gekregen, noch de overlijdensakte van de moeder van eiseres, en evenmin stukken waaruit blijkt dat de vader van eiseres niet in staat is om voor haar te zorgen.
Had de minister eiseres moeten horen in bezwaar?
5. Eiseres betoogt dat de minister in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. Eiseres voert aan dat zij in bezwaar nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die niet in het primaire besluit zijn betrokken, waaronder de hechte band tussen eiseres en de dochter van referent en de pogingen van eiseres en referent om de feitelijke situatie juridisch te regelen. Omdat deze omstandigheden niet eerder afdoende zijn onderzocht of meegewogen, kon niet op voorhand worden uitgesloten dat het bezwaar tot een ander besluit kon leiden. Het bezwaar was dan ook niet kennelijk ongegrond. Ten aanzien van het standpunt van de minister dat de hoorzitting niet bedoeld is om een verzuim te herstellen, wijst eiseres op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juli 2022 en Werkinstructie (WI) 2022/20. Daaruit volgt dat horen juist in de rede ligt wanneer, zoals hier, in bezwaar nog niet alle relevante informatie is overgelegd. Eiseres heeft voldoende inspanningen verricht om die informatie te verkrijgen, daarover gecommuniceerd met de minister en expliciet om een hoorzitting verzocht. Bovendien is de gevraagde informatie volgens de minister essentieel. Daarbij heeft eiseres verwezen naar de Child Rights Act 2007 van Sierra Leone, waarmee zij en referent pas in Nederland bekend zijn geraakt en waarvan zij aanvoeren dat deze in de praktijk in Sierra Leone zelden formeel wordt toegepast. Onder deze omstandigheden had eiseres moeten worden gehoord.
5.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat terecht is afgezien van horen in bezwaar op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb en WI 2022/20, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De gestelde band met de dochter van referent en het voogdijtraject zijn, anders dan eiseres stelt, reeds in het primaire besluit besproken. Volgens de minister blijkt uit het dossier verder dat eiseres onvoldoende inspanningen heeft verricht om de noodzakelijke, essentiële informatie te verkrijgen en over te leggen, waaronder bewijs van de voogdij, verzorging en opvoeding door referent, het overlijden van de moeder van eiseres en de onmogelijkheid van de vader van eiseres om voor haar te zorgen. Tevens heeft eiseres volgens de minister onvoldoende gecommuniceerd over de door haar ondernomen pogingen om de verzochte informatie boven water te krijgen. Ook heeft eiseres onvoldoende onderbouwd waarom deze essentiële informatie, die van belang is voor de beoordeling van de aanvraag, niet is overgelegd. Tot slot stelt de minister dat een hoorzitting niet bedoeld is om eerder verzuim te herstellen, en dat eiseres geen concreet belang bij een hoorzitting heeft onderbouwd.
5.2.
De wettelijke plicht om een vreemdeling in de bezwaarfase te horen volgt uit artikel 7:2 van de Awb. Van horen kan worden afgezien om een aantal redenen, die uitputtend zijn beschreven in artikel 7:3 van de Awb. Het gaat hier om de reden die in deze bepaling is opgenomen onder b. Op grond daarvan kan van horen worden afgezien als een bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat dit het geval is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De minister heeft in Werkinstructie (WI) 2022/20 uiteengezet hoe hij de hoorplicht toepast. De Afdeling noemt in haar uitspraak van 6 juli 2022 gevallen waarin het minder vanzelfsprekend is dat van een hoorzitting in bezwaar kan worden afgezien. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de situatie waarin een vreemdeling in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem worden verlangd, of de situatie waarin er - om welke reden dan ook - nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan. Het uitgangspunt dat een vreemdeling gehoord wordt komt in deze situaties bijzonder belang toe, omdat er immers veel omstandigheden denkbaar zijn die meebrengen dat een vreemdeling niet alle verzochte informatie kan overleggen. Een gehoor kan juist dan uitkomst bieden om ontbrekende informatie boven tafel te krijgen, of eventueel te zoeken naar oplossingen voor gerezen problemen. Maar ook in de situatie dat het feitencomplex wel compleet is en naar het oordeel van de minister voldoende duidelijk is dat het bezwaar niet tot een ander oordeel kan leiden, kan de minister niet zonder meer afzien van horen in bezwaar. De vraag of de minister in dergelijke situaties niettemin van een gehoor af kan zien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2022:1918.
WI 2022/20 Horen en mandatering in bezwaar.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2564, r.o. 4.1.
Beoordeling
Relevante omstandigheden die meegewogen moeten worden, zijn onder andere:
- de mate waarin een vreemdeling gedurende de gehele procedure met de minister heeft gecommuniceerd over zijn pogingen om de verzochte informatie boven tafel te krijgen;
- de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van die informatie;
- de aard van de ontbrekende informatie (of het bijvoorbeeld gaat om stukken die essentieel zijn voor de beoordeling van de aanvraag);
- of een vreemdeling in zijn bezwaarschrift expliciet heeft verzocht om een hoorzitting en concreet heeft aangegeven welk belang hij daarbij heeft;
- of een vreemdeling al eerder in de gelegenheid is gesteld om ontbrekende informatie alsnog aan te leveren, en
- of de vreemdeling concrete en onderbouwde redenen heeft gegeven waarom hij bepaalde informatie niet kan overleggen.
De vuistregel hierbij is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met de minister heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting. De minister heeft deze omstandigheden ook in de WI 2022/20 opgenomen.
5.3.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het betoog van eiseres dat zij in bezwaar nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die niet in het primaire besluit zijn betrokken en dat minister daarom van het horen niet mocht afzien, wordt verworpen. De minister stelt terecht dat de gestelde band met de dochter van referent en het voogdijtraject reeds in het primaire besluit zijn besproken en beoordeeld.
Voorts blijkt dat eiseres in bezwaar slechts summier heeft gesteld dat zij in Sierra Leone feitelijk deel uitmaakte van het gezin van referent en tot op heden tot dat gezin behoort. Deze stelling is enkel onderbouwd met enkele foto’s en geldovermakingen aan een nicht van referent, waarover de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze onvoldoende overtuigend zijn in het licht van de criteria voor verblijf als pleegkind. Eiseres heeft daarnaast niet onderbouwd waarom stukken, zoals de overlijdensakte van haar moeder, stukken over het voogdijtraject en een onderbouwing voor het standpunt dat haar vader niet voor haar kan zorgen, niet zijn overgelegd ondanks dat uit het (primair) besluit blijkt dat deze stukken ontbreken. Evenmin blijkt uit het dossier dat eiseres, anders dan zij zelf stelt, met de minister heeft gecommuniceerd over haar gestelde pogingen om deze stukken alsnog te verkrijgen. Volgens de minister zijn er door eiseres geen stukken overgelegd met betrekking tot pogingen die zijn ondernomen om de voogdij te regelen. Pas in beroep, op 30 juni 2025, heeft eiseres een brief overgelegd waarin staat dat zij bezig is met het regelen van de voogdij en dat inmiddels een toestemmingsverklaring van haar vader is verkregen. Tijdens de zitting heeft eiseres nader toegelicht dat zij verwachtte dat een hoorzitting zou worden gehouden en dat zij er daarom van uitging dat zij de ontbrekende stukken tijdens die zitting kon toelichten of overleggen. Ook heeft zij toegelicht dat zij inmiddels beschikt over een voogdijbeschikking, waarin wel een verkeerd land (Amerika in plaats van Nederland) staat vermeld zodat een aanpassing moet volgen. Dat geldt ook voor de toestemmingsverklaring van de vader, waarin staat dat het volledige gezag naar referent gaat. De minister heeft op zitting bevestigd dat deze stukken niet eerder zijn overgelegd, dat daarover geen communicatie heeft plaatsgevonden in de bezwaarfase en dat er geen onderbouwing is gegeven voor het uitblijven van de essentiële stukken.
5.4
Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank het volgende vast. Uit het primaire besluit blijkt welke essentiële stukken, die van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag, ontbreken, namelijk de overlijdensakte van de moeder van eiseres, de voogdijbeschikking, de toestemmingsverklaring van de vader, en objectieve stukken die de zorg over eiseres en de gestelde hechte banden met de dochter van referent onderbouwen. Niet is gebleken dat eiseres tijdens de bezwaarfase actief en tijdig inspanningen heeft verricht om deze stukken over te leggen, noch dat zij daarover met de minister heeft gecommuniceerd. De rechtbank begrijpt de verwijzing van eiseres naar de Child Rights Act 2007 en haar toelichting op zitting dat Sierra Leone een ontwikkelingsland is, waar het opstellen van documenten vaak tijd kost en het gebruikelijk is dat familieleden de zorg voor kinderen van overleden familieleden op zich nemen zonder formele juridische procedure. Dat eiseres pas later bekend werd met de Child Rights Act 2007, ontslaat haar echter niet van de verplichting om de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot het gezinsleven tijdig, voldoende feitelijk en juridisch te onderbouwen en daarover met de minister te communiceren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister, gelet op de relevante omstandigheden zoals die zijn opgenomen onder rechtsoverweging 5.2, zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in de bezwaarfase kon worden afgezien van horen en dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De toelichting op zitting van de gemachtigde van eiseres dat de voogdijbeschikking en toestemmingsverklaring inmiddels per e-mail zijn ontvangen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Die stukken zijn immers niet tijdig overgelegd, noch was daarover eerder duidelijk en concreet met de minister gecommuniceerd. De beroepsgrond slaagt niet.