Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:19231
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,023 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15897
V-nummers: [V nummer 1] en [V nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1970, eiser I (hierna: de vader),
en
[eiser 2]
geboren op [geboortedatum 2] 2000, eiser II (hierna: de broer),
beiden van Eritrese nationaliteit, samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en
de minister van Buitenlandse zaken, verweerder, hierna: de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid’ bij [naam] (referent).
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juli 2017 afgewezen (het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 25 februari 2021 (het bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 25 augustus 2021 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, het beroep gegrond verklaard.
1.3.
Met het bestreden besluit van 13 maart 2024 (het bestreden besluit II) heeft de minister het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard.
1.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Eisers hebben de rechtbank verzocht om uitspraak te doen op basis van de stukken. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. Eisers stellen de Eritrese nationaliteit te hebben. Op 6 januari 2016 heeft referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op 2 maart 2016 hebben eisers een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis. Eisers zijn de broer en de vader van referent. Voor de aanvraag van de broer geldt de voorwaarden voor een mvv, ‘verblijf als familie- of gezinslid’, op grond van artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). De aanvraag van de broer is gekoppeld aan de nareis-aanvraag van de vader. De aanvraag van de vader is getoetst aan de voorwaarden van nareis.
Het bestreden besluit
3.1.
De minister heeft het beroep van eisers met het bestreden besluit II opnieuw ongegrond verklaard omdat de familierechtelijke relatie tussen referent en eisers niet aannemelijk is gemaakt. Omdat de vader in bezwaar alsnog een kopie van zijn Eritrese identiteitsbewijs heeft overlegd, is zijn identiteit aannemelijk. Maar van de broer zijn geen officiële documenten overlegd, alleen een kopie van een schoolrapport. Dit document is onvoldoende om zijn identiteit aan te tonen waardoor het dus niet aannemelijk is dat hij de Eritrese nationaliteit bezit.
3.2.
Eisers hebben geen documenten overlegd om de familierechtelijke relatie tussen referent en eisers aannemelijk te maken. Maar naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, is de minister alsnog overgegaan tot een integrale beoordeling om de identiteit van de gezinsleden en de familierechtelijke relatie te onderzoeken. De minister besluit dat eisers het voordeel van de twijfel krijgen. Dit betekent dat er nader onderzoek nodig is naar de identiteit van de broer en naar de familierechtelijke relatie tussen de broer, de vader en referent. Eisers worden om die reden uitgenodigd voor een DNA-onderzoek.
3.3.
De gemachtigde van eisers heeft op 8 november 2021 en op 10 februari 2022 aangegeven dat eisers vanwege de oorlog in Ethiopië nog niet in staat waren om Eritrea te verlaten en zich te melden bij de ambassade van Ethiopië. Op 7 juni 2022 en op
19 september 2022 heeft de minister opnieuw telefonisch contact gehad met de gemachtigde over de stand van zaken van het onderzoek. Tijdens de hoorzitting van 5 februari 2023 heeft referent aangegeven dat zijn vader sinds februari 2023 in de gevangenis zit en dat hij niet weet wanneer hij vrijkomt. Referent heeft ook verklaard dat het voor eisers niet mogelijk is om binnen een periode van vier weken Eritrea uit te reizen.
3.4.
Volgens verweerder is de identiteit van de broer en de familierechtelijke relatie tussen de familieleden niet vast te stellen , omdat eisers niet beschikbaar zijn voor nader onderzoek. Er wordt dus niet toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen referent en vader. Om die reden wordt ook niet toegekomen aan het beoordelen van het gezinsleven in het kader van artikel 8 van het EVRM tussen de broer, de vader en referent.
Heeft verweerder de aanvraag van eisers terecht afgewezen?
4.1.
Eisers voeren aan dat er sprake is van bewijsnood en dat hen daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. De broer is niet in het bezit van een identiteitsbewijs omdat hij nog niet in militaire dienst is geweest. Verder zijn er geen documenten om de familierechtelijke relatie aan te tonen. Vanwege de oorlog in Ethiopië is het eisers niet gelukt om Eritrea uit te reizen en naar de ambassade in Ethiopië te gaan. Zodra het mogelijk leek te zijn, hebben zij geprobeerd om Eritrea te verlaten. Toen is de vader gearresteerd en waren zij niet in staat om zich bij de ambassade te melden. Eisers menen dat hen ten onrechte door de minister wordt verweten dat zij niet beschikbaar zijn voor het DNA-onderzoek.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eisers terecht heeft afgewezen. De minister heeft aan eisers het voordeel van de twijfel gegeven, en hen de mogelijkheid gegeven een DNA onderzoek te laten doen in de ambassade in Ethiopië. Ook zou daar een interview met de broer plaatsvinden. De rechtbank overweegt dat het aan eisers is om aannemelijk te maken dat het voor hen onmogelijk is mee te werken aan het onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij op dit moment niet vanuit Eritrea naar Ethiopië kunnen reizen. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden op welke wijze eisers hebben geprobeerd Eritrea te verlaten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de mvv terecht heeft afgewezen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De aanvraag is door referent ingediend ten behoeve van eisers. Voor de leerbaarheid van deze uitspraak wordt in het vervolg naar eisers verwezen als de indieners van de mvv.
ECLI:NL:RVS:2022:245