Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:19180
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,962 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48389
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2025
in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met behulp van een beeldverbinding verschenen. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De gronden van de maatregel
1. In de maatregel van bewaring stelt de minister zich op het standpunt dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister vermeldt, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en vermeldt als lichte gronden dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
De minister heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij de lichte grond 4b laat vallen. Die grond ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel.
2. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Eiser voert aan dat de minister bij de zware grond 3b ten onrechte feiten betrekt die bij eerdere procedures zijn voorgevallen. Ook voert eiser aan dat de minister bij de zware grond 3c ten onrechte tegenwerpt dat eiser Nederland niet heeft verlaten na het opgelegde terugkeerbesluit op 4 augustus 2025. Dat heeft hij in feite namelijk wel gedaan.
2.1.
Wat eiser aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is. Dat licht de rechtbank als volgt toe.
Eiser zat voorafgaand aan de huidige maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 in bewaring. De maatregel is door deze rechtbank en zittingsplaats getoetst in de uitspraak van 6 oktober 2025. In die uitspraak oordeelde de rechtbank dat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist waren en de minister deze terecht aan de maatregel ten grondslag had gelegd. Eiser bracht in die procedure een betoog naar voren dat vrijwel gelijkluidend is aan het betoog onder 2. In de uitspraak van 6 oktober 2025 oordeelde de rechtbank dat dit betoog niet slaagt. De rechtbank ziet in wat eiser nu aanvoert en in de gedingstukken van het voorliggende dossier, geen aanleiding om anders te oordelen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
3. De zware gronden 3b en 3c zijn terecht ten grondslag gelegd aan de maatregel. Die gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. De overige beroepsgronden die zien op de zware en lichte gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat de minister met een lichter middel dan de bewaring moet volstaan. Eiser licht daarbij toe dat hij graag wil worden uitgezet, maar dan naar Oekraïne. De minister wil eiser uitzetten naar Georgië, maar daar wil eiser niet naartoe. De minister heeft niet onderzocht of eiser naar Oekraïne kan worden uitgezet. Dat is onterecht en onzorgvuldig volgens eiser. Zeker nu er documenten van eiser in België en Frankrijk liggen, waaruit blijkt dat hij banden heeft met Oekraïne.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiser in bewaring is gesteld ter fine van uitzetting naar Georgië. De minister motiveert in de maatregel voldoende - mede onder verwijzing naar de bewaringsgronden - dat en waarom in eisers geval sprake is van een onttrekkingsrisico en niet met een lichter middel wordt volstaan. Dat eiser wil worden uitgezet naar Oekraïne is geen reden om een lichter middel op te leggen. Voor zover eiser stelt dat hij uit Oekraïne komt en niet uit Georgië, verandert dit het oordeel niet. Eiser heeft dit ook aan de orde gesteld tijdens zijn asielprocedure. In de afwijzende asielbeschikking van 21 september 2025 op eisers asielaanvraag staat dat eiser niet wordt gevolgd in zijn stelling dat hij niet de Georgische, maar Oekraïense nationaliteit bezit. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de beschikking. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Zicht op uitzetting
5. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting naar Georgië binnen een redelijke termijn bestaat.
5.1.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. De minister licht toe dat er een Terugkeer- en Overname verzoek is ingediend bij de Georgische autoriteiten op 2 oktober 2025. Bij dit verzoek is een nationaliteitsbevestiging van eiser gezonden, van een laissez-passer die eerder is afgegeven. De minister geeft verder aan dat de Georgische autoriteiten doorgaans binnen 14 dagen reageren. De rechtbank oordeelt dat, nu op zo’n korte termijn duidelijkheid wordt verwacht, op dit moment niet gezegd kan worden dat eiser niet binnen een redelijke termijn uitgezet kan worden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
6. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RBDHA:2025:18681.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.