Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:19177
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,082 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.9989 (beroep) en NL25.9990 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. S. de Schutter),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 25 februari 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser in Bulgarije internationale bescherming geniet.
1.1.
Eiser heeft ook gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt overgedragen totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en A. El Manouzi als tolk in de Arabische taal. De gemachtigde van verweerder is niet verschenen.
Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. Ook beoordeelt de rechtbank eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
2.1.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Besluitvorming
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2005 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft op 29 januari 2024 asiel aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser in Bulgarije internationale bescherming geniet.
3.1.
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Uit informatie van de Bulgaarse autoriteiten is gebleken dat eiser in Bulgarije internationale bescherming heeft. Verweerder heeft eiser daarom opgedragen om onmiddellijk naar Bulgarije te gaan.
Het standpunt van eiser en de beoordeling door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. Eiser stelt dat verweerder het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd, nu hij niet inhoudelijk is ingegaan op de landeninformatie over Bulgarije die is overgelegd. Daaruit blijkt volgens eiser namelijk dat niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft onder andere op de zitting verwezen naar de meest recente update van het AIDA-rapport over Bulgarije in 2024, uit maart 2025. Uit dit rapport blijkt volgens eiser dat er sprake is van een ‘zero integration policy’ wat betreft statushouders in Bulgarije. Eiser stelt dat uit het rapport volgt dat statushouders zeer beperkt toegang hebben tot fundamentele (sociale) voorzieningen, waaronder werk en de gezondheidszorg. Volgens eiser kan het oordeel van de Afdeling van 1 november 2023, namelijk dat NGO’s in plaats van de Bulgaarse autoriteiten statushouders helpen met de integratie, niet meer worden gevolgd omdat uit het voorgenoemde AIDA-rapport blijkt dat in het jaar 2024 maar acht individuen van twee families deze steun van NGO’s hebben gekregen.
4.1.
Eiser wijst er verder nog op dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan worden uitgegaan vanwege zijn eigen ervaringen met de Bulgaarse autoriteiten. Eiser stelt namelijk te zijn mishandeld door de autoriteiten en onder mensonterende omstandigheden gedetineerd te zijn geweest met amper faciliteiten. Ook het feit dat eiser medisch kwetsbaar is en dit niet in geschil is, had volgens hem moeten betekenen dat verweerder over had moeten gaan tot het vragen van individuele garanties aan Bulgarije, in het kader van het arrest Tarakhel.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag er in beginsel van uitgaan dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit uitgangspunt wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Het is aan de vreemdeling om dat vermoeden te weerleggen. Daarvoor kan hij objectieve informatie overleggen, en kan hij feiten stellen of verklaringen afleggen over zijn ervaringen in de lidstaat die hem internationale bescherming verleent, waaruit blijkt dat hij een reëel risico loopt dat hij bij terugkeer in een situatie terechtkomt die in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Hiervan is sprake wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, een bad nemen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid, of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van Bulgarije kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, wat betreft statushouders. Uit het AIDA-rapport waar eiser namelijk naar verwijst blijkt dat in 2024 nog steeds sprake is van een ‘zero integration policy’, wat inhoudt dat er geen integratievoorzieningen zijn in Bulgarije voor statushouders en dat de Bulgaarse autoriteiten geen ondersteuning verlenen aan statushouders bij deze integratievoorzieningen. Verder blijkt uit het rapport dat verschillende NGO’s, waaronder het Rode Kruis, alleen in de districten [locatie 1] en [locatie 2] van de gemeente [naam] , in samenwerking met deze gemeente, statushouders helpen bij integratievoorzieningen en dat in 2024 maar acht individuen van twee families van deze hulp hebben kunnen profiteren. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dan ook dat de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023 niet meer zonder meer kan worden gevolgd. De Afdeling heeft zich namelijk in deze uitspraak gebaseerd op het AIDA-rapport over Bulgarije in 2022, waaruit volgt dat 83 individuen in 2021 werden geholpen wat betreft integratievoorzieningen. De rechtbank stelt vast dat het aantal individuen die profiteren van deze hulp met de jaren verder is gedaald. Uit het AIDA-rapport over Bulgarije in 2023 blijkt dat 22 individuen van de integratiehulp hebben kunnen profiteren. De Afdeling heeft naar aanleiding van deze daling met een uitspraak van 20 augustus 2024 geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, wat betreft statushouders. Dit nummer is echter in 2024 nog verder gedaald. Nog slechts acht individuen behorend tot twee families hebben integratiehulp gekregen. Deze hulp is dus vrijwel non-existent. Dat betekent dat verweerder niet meer ter onderbouwing van zijn standpunt, namelijk dat kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van statushouders in Bulgarije, kan volstaan met een verwijzing naar de voorgenoemde uitspraken van de Afdeling. Het besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
5.2.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op de overige beroepsgronden.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank zal het besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder moet binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit nemen waarbij hij rekening houdt met deze uitspraak.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, is het niet meer nodig om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- bij een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 25 februari 2025;
draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan
een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het
hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak
is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat
de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een
tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige
voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Asylum Information Database. Zie de volgende website voor de lijst met alle rapporten over de jaren wat betreft Bulgarije: https://asylumineurope.org/reports/country/bulgaria/.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:3967.
Niet-gouvernementele organisatie.
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zoals volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219 (Ibrahim). Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3967, rechtsoverweging 6.3.
Zie pagina 112 van het AIDA-rapport over Bulgarije in 2024 (update van maart 2025).
Zie pagina 102 van het AIDA-rapport over Bulgarije in 2022 (update van maart 2023).
Zie pagina 108 van het AIDA-rapport over Bulgarije in 2023 (update van april 2024).
ECLI:NL:RVS:2024:3371.