Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:19176
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,248 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.24320 (beroep) en NL.24322 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),
en
de minister van Asiel en Migratie
, de minister
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het geweigerde verzoek om opheffing van het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod. Eiser is het niet eens met deze weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of eiser voldoende procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep tegen het inreisverbod nu dit op 6 september 2024 is opgeheven.
1.1.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 15 mei 2024 heeft de minister het verzoek van eiser om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod geweigerd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
3. In een brief van 3 april 2025 staat dat de minister op 30 augustus 2024 van de Spaanse autoriteiten een verzoek heeft ontvangen voor het verwijderen van de SIS-signaleringen van het terugkeerbesluit en inreisverbod, omdat aan eiser een Spaanse verblijfsvergunning is verleend. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de minister op 6 september 2024 het terugkeerbesluit en inreisverbod opgeheven en de SIS-signaleringen verwijderd.
4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser voldoende procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep tegen het inreisverbod nu dit op 6 september 2024 is opgeheven.
5. Met het opheffen van het inreisverbod heeft eiser het doel van deze procedure bereikt. Daarom heeft hij geen belang bij de beoordeling van het beroep. De vraag of de minister moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in beroep gemaakte proceskosten, vormt geen aanleiding om het beroep inhoudelijk te beoordelen. De geldt ook voor de door eiser gestelde benadeling.
6. Voor een veroordeling van de minister tot vergoeding van de proceskosten kan aanleiding bestaan als de minister aan eiser tegemoetgekomen is. Dat heeft de minister in dit geval niet gedaan. De minister heeft het inreisverbod namelijk opgeheven naar aanleiding van het verzoek van de Spaanse autoriteiten op 30 augustus 2024 vanwege een verleende verblijfsvergunning.
Conclusie
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank/voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2575.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084.