Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:19133
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,211 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40091
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] Areh, V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Visschers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 augustus 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. A.S. Sewman als waarnemer van zijn gemachtigde,
L. Pomper als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
5. Eiser voert aan dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat de opvangomstandigheden ontoereikend zijn. Eiser wijst op het AIDA rapport over Frankrijk van 11 juni 2025, update 2024, pagina’s 75 en 123. Hieruit volgt dat er 50% te weinig opvangplekken zijn voor het aantal asielzoekers. Eiser heeft daarom een reële kans om op straat terecht te komen. Verder heeft hij in Frankrijk onvoldoende te eten gekregen en kreeg hij geen medische behandeling voor zijn klachten.
6. De rechtbank overweegt dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van alle lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat de minister, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uit mag gaan dat alle lidstaten het Unierecht en met name de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM2 en artikel 4 van het Handvest3. Daarvan is sprake in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Uit de uitspraken van de Afdeling van 11 april 20254 en 30 augustus 20245 volgt dat ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn (geweest) in de Franse asielopvang, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De Afdeling heeft in haar laatste uitspraak ook het AIDA rapport, update 2023, van 24 mei 2024 betrokken. Zoals deze rechtbank eerder heeft geoordeeld6, heeft de minister kunnen overwegen dat het AIDA-rapport, update 2024 geen reden geeft om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Het recente AIDA rapport laat een lichte procentuele verbetering zien ten aanzien van asielzoekers die een opvangplek hebben. Het rapport geeft geen wezenlijk ander beeld van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in haar uitspraken. De rechtbank ziet dat eiser heeft verklaard over de vervelende gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt in Frankrijk en begrijpt dat eiser wenst om niet terug te keren naar Frankrijk. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Frankrijk niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In geval van voorkomende problemen in Frankrijk dient hij zich te wenden tot de Franse autoriteiten. Niet gebleken is dat dit voor hem niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4 ECLI:NL:RVS:2025:1642.
5 ECLI:NL:RVS:2024:3552.
6 Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 16 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16233.
7. Eiser voert aan dat het onevenredig is om hem over te dragen naar Frankrijk. Eiser voert aan dat hij medische klachten heeft en hij wijst op zijn eerdere ervaringen in Frankrijk. Na een eerdere overdracht aan Frankrijk kreeg hij geen onderdak en moest hij op straat slapen. Op zijn achtste dag in Frankrijk kreeg hij noodopvang voor twee weken, waarna hij weer op straat sliep. Uiteindelijk heeft hij, met hulp van de politie, een kamer gekregen. Na een ruzie met zijn kamergenoot is hij daar uit de opvang gezet. Toen hij aangifte ging doen bij de politie van mishandeling, is hij zelf door de politie enige tijd vastgezet.
8. De rechtbank oordeelt als volgt. De medische klachten van eiser zijn niet concreet toegelicht en niet met stukken onderbouwd. Daarbij komt dat, ook al zou dit wel zijn gebeurd, de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Frankrijk vergelijkbare medische zorg kan leveren aan eiser. Niet is gebleken dat Nederland het aangewezen land zou zijn voor zorg. De minister heeft hierin dan ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser (onverplicht) aan zich te trekken. Ten aanzien van zijn eerdere ervaringen in Frankrijk, begrijpt de rechtbank dat dit impact heeft gehad op eiser en dat eiser niet wil worden overgedragen naar Frankrijk. De minister heeft in het bestreden besluit echter deugdelijk gemotiveerd dat de Franse autoriteiten zorgden voor onderdak en voedsel, in de vorm van een periodieke storting op de rekening van eiser en dat de ervaringen van eiser in Frankrijk niet maken dat overdracht aan Frankrijk onevenredig hard is. De minister heeft dan ook geen reden hoeven zien voor de conclusie dat overdracht aan Frankrijk onevenredig hard is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Frankrijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 september 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.