Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:1908
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
2,038 tokens
Inleiding
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/676338 / KG ZA 24-1102
Vonnis in kort geding van 7 februari 2025
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. B.S. van Haeften te ’s-Gravenhage,
tegen:
[gedaagde] te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.B. Brouwer te ’s-Gravenhage.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de akte houdende een wijziging van eis;
- de op 23 januari 2025 gehouden mondelinge behandeling op zitting.
1.2.
Op de zitting zijn verschenen: de man bijgestaan door zijn advocaat en de vrouw door bijgestaan door zijn advocaat. Op de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] .
2.3.
De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig gezag uit over [minderjarige] .
2.4.
Op dit moment hebben de man en [minderjarige] omgang met elkaar iedere zondag van 08:00 uur tot 14:00 uur en maandag van 14:00 uur tot 16:00 uur.
2.5.
Bij beschikking van 28 augustus 2024 van deze rechtbank is het verzoek ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van de man om het vaststellen van een voorlopige omgangs- en vakantieregeling afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisendheid.
Geschil
3.1.
De man vordert – zakelijk weergegeven – voorlopig te bepalen dat de vrouw wordt verplicht om aan de volgende voorlopige regeling haar medewerking te geven c.q. dat de voorzieningenrechter de volgende voorlopige regeling vaststelt:
maand 1: week 1 en 2 van die maand iedere zondag van 08:30 uur tot 19:00 uur bij de man thuis, alsmede iedere donderdag van 17:00 uur tot vrijdagochtend bij de man thuis, waarna de man [minderjarige] op vrijdag naar de kinderopvang zal brengen. De man wenst de vrijheid te hebben om zelf zijn tijd met [minderjarige] in te vullen;
maand 2: week 3 en 4 iedere zaterdag vanaf 17:00 uur tot en met zondag 19:00 uur alsmede iedere donderdag van 17:00 uur tot en met vrijdagochtend naar de opvang;
maand 2 tot partijen anders overeenkomen dan wel de bodemrechter anders heeft bepaald: iedere woensdagochtend van 08:30 uur tot en met vrijdagochtend naar de opvang bij de man alsmede iedere zaterdag van 17:00 uur tot zondag 19:00 uur dan wel iedere woensdagochtend van 08:30 uur tot en met vrijdagochtend naar de opvang bij de man alsmede een weekend in de veertiendagen van zaterdag 09:00 tot zondag 19:00 uur;
kerstvakantie 2024: de eerste week bij de man alsmede kerstavond en eerste kerstdag, [minderjarige] kan dan op tweede kerstdag van 09:00 in de ochtend tot “derde” kerstdag 09:00 uur in de ochtend bij de vrouw zijn, waarbij de vrouw [minderjarige] met kerst ophaalt en de man [minderjarige] op derde kerstdag ophaalt;
voorjaarsvakantie 2025: bij de man;
meivakantie 2025: de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;
zomervakantie 2025: de eerste drie weken bij de man,
dan wel dat er een zodanige opbouw regeling en vakantie- en feestdagenregeling wordt vastgesteld zoals de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.
3.2.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Het verzoek van de man om een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv is afgewezen, wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Inmiddels zijn er enkele maanden verstreken en is er nog steeds geen zicht op een mondelinge behandeling in de bodemprocedure. De man acht de huidige omgangsregeling echter niet in het belang van [minderjarige] . Zo is de omgangsregeling te summier en wordt deze eenzijdig door de vrouw bepaald. Bovendien mag de omgang niet in de woning van de man plaatsvinden, waardoor hij nog meer in het contact met [minderjarige] wordt beperkt. Volgens de man komt het ook regelmatig voor dat de vrouw de regeling niet nakomt. Tot slot vreest de man dat de omgang met [minderjarige] nog beknopter zal worden op het moment [minderjarige] vanaf maart 2025 naar de basisschool zal gaan. Volgens de man dient de omgangsregeling dan ook in het belang van [minderjarige] op korte termijn te worden uitgebreid.
3.3.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken en vordert dat de man in de proceskosten wordt veroordeeld.
Beoordeling
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man geen spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorziening. Daartoe overweegt zij als volgt.
4.2.
De man heeft in augustus 2024 een verzoek ex artikel 223 Rv ingediend dat vrijwel volledig gelijkluidend is aan de vorderingen in het onderhavige kort geding. Dit verzoek ex artikel 223 Rv is door de rechtbank bij beschikking d.d. 28 augustus 2024 wegens gebrek aan spoedeisend belang afgewezen. Namens de man is naar voren gebracht dat de situatie sinds eind augustus 2024 gewijzigd is. Zo heeft de vrouw de tijdstippen van de contactmomenten gewijzigd en komt het volgens de man regelmatig voor dat de vrouw de regeling niet nakomt. Verder vreest de man dat de omgang met [minderjarige] nog beknopter zal worden op het moment [minderjarige] vanaf maart 2025 naar de basisschool zal gaan. Uit de stukken en op de zitting is niet gebleken dat de vrouw de regeling (structureel) niet nakomt. Gebleken is dat er in voorkomende gevallen onderling overleg nieuwe afspraken worden gemaakt wanneer een omgangsmoment wegens een bijzondere omstandigheid niet door kan gaan. Daarnaast heeft de moeder op de zitting aangegeven dat vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool zal gaan, gezocht zal worden naar een ander omgangsmoment tussen de man en [minderjarige] op een zodanige manier dat de tijd die zij samen doorbrengen zo min mogelijk wordt ingeperkt. Voor het overige is niet gebleken dat er sinds eind augustus 2024 nieuwe ontwikkelingen zijn geweest die ertoe leiden dat de man nu wél een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde.
4.3.
De voorzieningenrechter zal de vordering van de man daarom afwijzen. Er wordt niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling.
4.4.
Ten aanzien van de vordering van de vrouw tot veroordeling van de man in de proceskosten overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het uitgangspunt in familiezaken is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Alleen in uitzonderlijke gevallen, wanneer er bijvoorbeeld volstrekt nodeloos wordt geprocedeerd, is er ruimte voor een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan in het onderhavige geval geen sprake is. De voorzieningenrechter zal daarom de proceskosten zoals gebruikelijk in familiezaken compenseren.
Dictum
De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van de man af;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Olland en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2025.
AFO