Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:19024
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,828 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36275
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
V-nummer: [v-nummer] ,
en haar minderjarige dochter,
[naam]
,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. drs. J.P.M. Wuite).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit waarin haar opvolgende asielaanvraag is afgewezen. Eiseres heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 8 november 2021 afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. In de uitspraak van 28 juli 2023 is dit beroep door de rechtbank ongegrond verklaard. Eiseres heeft op 19 februari 2024 opnieuw een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend voor haar en haar minderjarige dochter. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft hiertegen beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar minderjarige dochter, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit mede aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
5. Eiseres legt aan haar opvolgende asielaanvraag het volgende ten grondslag. Uit het huwelijk van eiseres met [echtgenoot] is hun dochter [naam] geboren. De familieleden van [echtgenoot] hebben [naam] , toen zij nog een baby was, meegenomen naar een traditionele genezer om haar te laten besnijden. Toen de familieleden van [echtgenoot] [naam] terugbrachten bij eiseres hebben zij haar laten weten dat het dit keer maar een kleine besnijdenis is en dat [naam] nog een keer zal worden besneden als zij ouder is. Eiseres is hier recent van op de hoogte geraakt, omdat zij pasgeleden haar moeder telefonisch heeft gesproken. Toen eiseres over het bedplassen van [naam] vertelde herinnerde haar moeder eiseres aan de uitspraken over de herbesnijdenis. Door de familieleden van [echtgenoot] wordt bij de moeder van eiseres nog steeds geïnformeerd waar zij [naam] mee naartoe heeft genomen.
Het bestreden besluit
6. De minister stelt vast dat de nationaliteit en herkomst in de vorige procedure geloofwaardig zijn geacht. De identiteit van eiseres is toen niet geloofwaardig geacht. Er zijn geen nieuwe documenten ingediend, zodat de identiteit van eiseres nog steeds ongeloofwaardig wordt geacht. De minister concludeert dat eiseres de gestelde vrees voor herbesnijdenis van [naam] niet aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe overweegt de minister dat het huwelijk en de relatie met [echtgenoot] en de bedreiging door de familie van [echtgenoot] in de vorige procedure ongeloofwaardig zijn geacht en deze opvolgende aanvraag voortborduurt op het eerder ongeloofwaardig geachte asielrelaas. Eiseres weet niets te vertellen over de omstandigheden en redenen van een tweede besnijdenis en waarom dit tijdens het veertiende levensjaar moet gebeuren. Bovendien komt een tweede besnijdenis bijna niet voor in Nigeria. Niet is gebleken van een concrete dreiging of recente of concrete aanwijzingen dat eiseres nog te vrezen heeft voor de familie van [echtgenoot] . De summiere verklaringen dat de moeder van eiseres nog wordt lastig gevallen zonder concrete uitleg op welke manier zij wordt lastig gevallen is daarvoor niet voldoende. De opvolgende aanvraag wordt daarom afgewezen als kennelijk ongegrond.
De gronden van beroep
7. Eiseres heeft aangevoerd dat [echtgenoot] de biologische vader is van [naam] . Volgens eiseres blijkt dit uit de bij de zienswijze gevoegde foto van [echtgenoot] met [naam] . Eiseres en [echtgenoot] hebben tijdens de eerdere asielprocedure samen op het AZC verbleven. Nadat [echtgenoot] het AZC moest verlaten heeft hij geprobeerd [naam] te bezoeken, maar dat werd door het COA niet toegestaan. Omdat [echtgenoot] de vader is van [naam] is ook de vrees voor de familieleden van [echtgenoot] en een herbesnijdenis van [naam] plausibel. Eiseres stelt dat haar niet kan worden tegengeworpen waarom de familie van [echtgenoot] een herbesnijdenisritueel wil uitvoeren. Volgens eiseres blijft onderbelicht dat eiseres, los van de familie van [echtgenoot] , die tot de islamitische Edo gemeenschap behoort, ook voor deze gemeenschap vreest als het gaat om een herbesnijdenis. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het zijn van een alleenstaande vrouw ten onrechte niet is beoordeeld als asielmotief. Tot slot stelt eiseres zich op het standpunt dat het opleggen van een inreisverbod aan eiseres in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Aan [naam] wordt geen inreisverbod opgelegd, maar zij kan de EU niet inreizen door het inreisverbod van haar moeder waardoor [naam] onevenredig wordt geraakt. Eiseres stelt dat het besluit gebrekkig is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen en om die reden geen stand kan houden.
Beoordeling
8. Met betrekking tot de aannemelijkheid van de gestelde vrees voor herbesnijdenis overweegt de rechtbank als volgt.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres de vrees voor herbesnijdenis niet aannemelijk heeft gemaakt. In de vorige procedure zijn het huwelijk met [echtgenoot] en de bedreigingen door zijn familie aan het adres van eiseres dat zij wordt gedood als zij niet haar medewerking verleent aan het uithuwelijken van haar dochter op 9-jarige leeftijd ongeloofwaardig geacht. Het daartegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard. De ongeloofwaardigheid van dat relaas is daarmee in rechte vast komen te staan. De door eiseres overgelegde foto, het samenwonen op het AZC, de poging van [echtgenoot] om [naam] na zijn vertrek bij het AZC te bezoeken en de stelling van eiseres dat niemand anders dan [echtgenoot] de vader van [naam] kan zijn, leidt niet tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres niet heeft aangetoond dat [echtgenoot] de biologische vader is. Daarmee is ook de interesse vanuit de familie van [echtgenoot] om [naam] nogmaals te (laten) besnijden niet aannemelijk. Daarnaast heeft de minister aan eiseres tegen kunnen werpen dat zij niets weet te vertellen over de omstandigheden en redenen van een tweede besnijdenis. Door eisers wordt hierover aangegeven: “Ze hebben aangegeven dat het hier om hun traditie gaat en omdat het een meisje is moet zij het twee keer begaan.” De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat herbesnijdenis in zeldzame uitzonderingen mogelijk blijft, maar het over het algemeen in Nigeria niet gebruikelijk is om vrouwen voor een tweede keer te besnijden. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zo’n uitzondering zich voor [naam] , noch door familieleden van [echtgenoot] , noch door overige leden van de Islamitische Edo gemeenschap, voordoet.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat en waarom eiseres de door haar gestelde vrees voor een tweede besnijdenis van haar dochter niet aannemelijk heeft gemaakt.
9. Met betrekking tot de beoordeling van het asielmotief alleenstaande vrouw overweegt de rechtbank als volgt.
9.1.
In de zienswijze stelt eiseres zich op het standpunt dat zij een alleenstaande vrouw zonder netwerk is en dit als een apart asielmotief moet worden getoetst. De minister concludeert dat eiseres nog contact heeft met haar moeder en in de vorige procedure ook nog met haar zus, zodat zij nog een band heeft met haar ouderlijk gezin en in die zin niet alleenstaand is. Bovendien concludeert de minister niet ten onrechte dat het enkel zijn van een alleenstaande vrouw in Nigeria niet voldoende is om voor een verblijfsvergunning in aanmerking te komen en eiseres geen problemen heeft ervaren vanwege het zijn van alleenstaande vrouw. Door de minister wordt het standpunt dat eiseres een alleenstaande vrouw is wel betrokken bij de vraag of eiseres heeft te vrezen voor vluchtelingrechtelijke vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de stelling van eiseres dat zij als een alleenstaande vrouw voor een verblijfsvergunning asiel in aanmerking komt getoetst en voldoende gemotiveerd afgewezen.
10. Eiseres stelt zich nog op het standpunt dat het aan haar opgelegde inreisverbod haar dochter onevenredig raakt. Omdat de minister de opvolgende aanvraag van eiseres als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, vaardigt de minister op grond van de Vreemdelingenwet aan eiseres een inreisverbod uit. De minister heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat dit niet anders wordt, omdat de dochter van eiseres niet zonder haar moeder kan reizen. Van omstandigheden als gevolg waarvan de minister kan afwijken van het uitvaardigen van een inreisverbod is niet gebleken.
11. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres in haar beroep naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de minister om de aanvraag als kennelijk ongegrond af te wijzen in stand wordt gelaten.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters - van Luijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaargemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemeen Ambtsbericht Nigeria januari 2023, p. 72.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Artikel 66a lid 1 sub a juncto artikel 62 lid 2 sub b Vreemdelingenwet 2000.