Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:19022
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,336 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48078
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Heeft de minister zijn inspanningsverplichting geschonden?
1. Eiser betoogt dat de minister in de periode van 15 september 2025 tot en met 30 september 2025, toen hij in strafrechtelijke detentie verbleef, geen uitzettingshandelingen heeft verricht en hierdoor niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Gelet op de door eiser overgelegde uitspraken van verschillende zittingsplaatsen dient de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te vallen.
1.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. De minister had gedurende de strafrechtelijke detentie een inspanningsverplichting om te voorkomen dat eiser na afloop daarvan in bewaring moest worden gesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat het voor de minister mogelijk was om gedurende de periode van 15 september 2025 tot en met 30 september 2025 uitzettingshandelingen te verrichten. De minister heeft op zitting erkend dat hij geen invulling heeft gegeven aan de inspanningsverplichting. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de minister de inspanningsverplichting heeft geschonden.1.2. De schending van de inspanningsverplichting leidt echter niet zonder meer tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 17 maart 2020 blijkt dat er in dat geval nog ruimte is voor een belangenafweging.1.3. Eiser merkt terecht op dat bewaring, gelet op de relatief snelle procedure die gemoeid is met overdracht naar Polen, mogelijk niet nodig was geweest als de minister had voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Dit maakt echter niet dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. In dit kader heeft de minister terecht gewezen op de (relatief) beperkte tijd die eiser in strafrechtelijke detentie heeft gezeten (ruim twee weken), het lange strafblad van eiser, de omstandigheden dat eiser heeft aangegeven niet zelfstandig naar Polen te gaan vertrekken en dat hij al eerder is uitgezet naar Polen en weer naar Nederland is teruggekeerd. Hieruit en uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen volgt een significant risico op onttrekking. De minister heeft ter zitting dan ook aangegeven er een groot belang bij te hebben om eiser in bewaring te houden zodat hij kan worden uitgezet naar Polen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat dit al op heel korte termijn staat te gebeuren. Er staat namelijk op 17 oktober 2025 een vlucht gepland naar Polen. Deze omstandigheden brengen de rechtbank tot het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geconstateerde gebrek en de daardoor geschonden belangen. De door eiser aangehaalde uitspraken zijn niet vergelijkbaar, omdat hier sprake was van langere periodes van strafrechtelijke detentie variërend van vier tot zeven weken. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
2. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Rb. Den Haag (zp. ’s-Hertogenbosch) 21 februari 2025, zaaknummer NL25.5246 (niet gepubliceerd), Rb. Den Haag (zp. Zwolle) 29 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14209 en Rb. Den Haag (zp. Rotterdam) 14 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9129.
ECLI:NL:RVS:2020:764.
Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.