Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:19008
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,378 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48225
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1988 en de Indiase nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat hij zich niet onttrekt aan het toezicht of de voorbereiding van zijn vertrek ontwijkt of belemmert. Hij betwist zware gronden 3a en 3b en de lichte gronden.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is de niet-betwiste zware grond 3c feitelijk juist. Daarbij wijst de rechtbank op de uitspraak van de rechtbank over de vorige maatregel van bewaring, waarin is overwogen dat eiser uiterlijk op 17 maart 2025 uit Nederland had moeten vertrekken, maar dit niet heeft gedaan. Ook zware grond 3b is feitelijk juist, nu eiser illegaal in Nederland heeft verbleven. Daarnaast doet wat eiser heeft aangevoerd tegen lichte gronden 4c en 4d niet af aan de feitelijke juistheid van die gronden. Deze lichte gronden zijn voorts voldoende gemotiveerd in de maatregel. De zware gronden 3b en 3c en de lichte gronden 4c en 4d kunnen de maatregel reeds dragen. Hieruit volgt het risico op onttrekking aan het toezicht. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
5. Eiser voert verder aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen, zoals een meldplicht. Eiser heeft zich in het verleden niet aan het toezicht onttrokken en nu hij een aanvraag heeft ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning, zal hij zich ook niet gaan onttrekken aan het toezicht.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om een lichter middel toe te passen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Verder is niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen. De omstandigheid dat eiser kinderen heeft in Nederland heeft verweerder daartoe onvoldoende kunnen achten, nu eiser geen zorgplicht heeft over zijn kinderen en hen al twee jaren niet heeft gezien.
7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 oktober 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9072