Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:19002
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,305 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48715
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
3. Ten aanzien van de gronden van de maatregel refereert eiser zich aan het oordeel van de rechtbank.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden van de maatregel niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn zware gronden 3a, 3b en 3c feitelijk juist. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij niet bekend is met het besluit van 18 december 2023, waarin zijn asielaanvraag is afgewezen en aan hem een terugkeerbesluit en inreisverbod is uitgevaardigd, overweegt de rechtbank dat uit de maatregel blijkt dat het terugkeerbesluit in de Staatscourant is gepubliceerd. Daarnaast blijkt uit het dossier dat dit besluit met eiser is besproken tijdens een vertrekgesprek op 4 april 2024 en een gehoor van 2 mei 2024. Eiser was dan ook bekend met de op hem rustende vertrekplicht. De zware gronden 3a, 3b en 3c kunnen al de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking.
5. De rechtbank toetst ook ambtshalve of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 oktober 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.3, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.3, vierde lid, van het Vb.