Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:18994
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,552 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27844
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
van [nationaliteit] nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. K. Jansen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit tot de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 15 mei 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij zijn geslachtsdeel heeft laten zien aan een vrouw die bij hem in de taxi zat. Volgens eiser was dit met wederzijdse toestemming, maar de familie van de vrouw maakte hier een probleem van. Hierna is een rechtszaak gestart. Eiser is in verzekering gesteld en op borgtocht vrijgekomen. Op [datum] is het vonnis uitgesproken en is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden. Eiser heeft een kopie van het vonnis overgelegd. De familie van de vrouw is het niet eens met de hoogte van de straf en heeft een bedrag van [bedrag] dinar gevraagd ter compensatie. Eiser heeft een verklaring van de Mokhtar overgelegd. In die verklaring staat dat de familie van de vrouw heeft verzocht om eiser vogelvrij te verklaren. Ook staat er dat de bemiddeling is geëindigd met afwijzing van verzoening en bedreiging met de dood en vogelvrijverklaring van eiser, of een gevangenisstraf van minimaal vijf jaar. De verklaring is gedateerd op [datum] . Eiser is op [datum] het land uitgevlucht. Verder heeft eiser verklaard dat hij in het verleden gediscrimineerd werd vanwege zijn [afkomst] afkomst. Daarnaast heeft eiser in het verleden meerdere seksuele relaties met andere jongens of mannen gehad.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1) de identiteit, nationaliteit en herkomst;
2) problemen vanwege de seksuele intimidatie;
3) de biseksuele gerichtheid en daaropvolgende problemen;
4) discriminatie vanwege eisers zijn [afkomst] afkomst.
De minister acht de eerste twee motieven geloofwaardig en de andere motieven niet. De minister heeft in het voornemen, wat deel uitmaakt van het bestreden besluit, ten aanzien van de biseksuele gerichtheid van eiser en daaropvolgende problemen overwogen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
4.1
Volgens de minister heeft eiser tegenstrijdig, vaag en summier verklaard over zijn seksuele gerichtheid. Zo heeft eiser aangegeven dat hij biseksueel is, terwijl hij ook heeft verklaard dat hij enkel op vrouwen valt en zich niet tot mannen voelt aangetrokken. Ook heeft eiser aangegeven in de aanvullingen en correcties dat hij na zijn twintigste relaties zou hebben gehad met mannen, terwijl hij in het gehoor heeft verklaard dat hij voor zijn twintigste voor het laatst met een man naar bed is geweest. Verder heeft eiser zijn seksuele gerichtheid aanvankelijk niet aangevoerd als asielmotief. Tot slot heeft eiser vaag en summier over zijn seksuele ervaringen met mannen verklaard, alsook over de problemen als gevolg daarvan.
4.2
Ten aanzien van de geloofwaardig geachte asielmotieven heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat sprake is van gegronde vrees. Dat eiser uit [land] komt is op zichzelf niet genoeg om als vluchteling te worden aangemerkt. Ten aanzien van de verklaring van eiser dat hij vanwege zijn [afkomst] afkomst vreest voor discriminatie, meent de minister dat eiser deze vrees niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat geen sprake was van een situatie waarin eiser onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren.
4.3
Wat betreft de verklaring van eiser dat hij bij terugkeer vreest voor eerwraak door de familie van de vrouw die eiser seksueel heeft geïntimideerd, meent de minister ook dat eiser deze vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Zo blijkt uit de verklaring van de Mokhtar dat er geen oordeel is gegeven of een vogelvrijverklaring is uitgesproken. Daarnaast was volgens de minister vanaf [datum] al bekend dat eiser zes maanden gevangenisstraf zou krijgen. De familie van de vrouw had tot eisers vertrek op [datum] de tijd om aan hun vergelding uiting te geven. Dit is een periode van meer dan drie maanden, waarin eiser op vrije voeten was. Eiser en zijn familie hebben echter deze gehele periode geen enkel probleem ervaren van de familie van de vrouw. Dat eiser thuis ondergedoken zat is hiervoor een onvoldoende verklaring. Het zou juist logisch zijn geweest dat de familie eiser thuis had opgezocht. Niet valt in te zien hoe eiser zijn eigen woning geheim kon houden voor de familie van de vrouw. Volgens de minister is de vrees om bij terugkeer alsnog vergelding te verwachten niet aannemelijk.
4.4
In het bestreden besluit is de minister ingegaan op dat wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Zo heeft de minister aangegeven dat er rekening is gehouden met de omstandigheid dat eiser zich tijdens het gehoor schaamde als het gaat over zijn seksuele relaties met mannen. Van eiser mag echter wel worden verwacht dat hij eenduidig verklaart over dat wat hij wel durft los te laten. Daarnaast heeft de minister overwogen dat eiser meer dan een jaar in Nederland verbleef voordat het nader gehoor plaatsvond, zodat verwacht kan worden dat hij inmiddels weet dat hij in Nederland openlijk kan spreken over zijn gerichtheid. Ten aanzien van eisers afspraken met psychiaters en/of een psycholoog is niet aangetoond hoe deze te maken hebben met zijn gestelde biseksuele gerichtheid. Ook heeft de minister benoemd dat eiser meermaals heeft aangegeven dat hij niet over zijn seksuele gerichtheid wilde spreken. Dat eiser niet in staat is geweest om hier meer over te verklaren, terwijl de hoormedewerker eiser hierbij zo goed als mogelijk heeft geholpen, wordt hem tegengeworpen. Niet wordt ingezien waarom eiser tijdens een aanvullend gehoor wel meer hierover kan verklaren.
4.5
Ten aanzien van de verklaring van de Mokhtar heeft de minister in het bestreden besluit gesteld dat uit de verklaring weliswaar volgt dat eiser is bedreigd met de dood, maar niet dat eiser ook daadwerkelijk zal worden vermoord. De verwijzing naar rapport van het Amerikaanse State Department over [land] uit 2023, maakt dat niet anders omdat er voornamelijk wordt gesproken over vrouwen en eerwraak. Verder wordt er aangehaald dat voornamelijk in de niet-stedelijke gebieden eerwraak niet wordt gemeld, terwijl eiser in een stad woonde. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor eerwraak.
Gronden van beroep ten aanzien van de biseksuele gerichtheid
5. Eiser voert ten aanzien van de biseksuele gerichtheid aan dat schaamte maakt dat hij vreemde verklaringen heeft afgelegd en zijn eigen verhaal heeft gebagatelliseerd. Hij wilde er eigenlijk niet over verklaren. Hem werden echter specifieke vragen gesteld die hij niet had verwacht. Eiser is van mening dat hij aanvullend had moeten worden gehoord. De minister heeft in het besluit onvoldoende rekening gehouden met zijn schaamte. De minister gaat voorbij aan WI 2019/17, waar is te lezen dat bij de beoordeling van een herhaalde asielaanvraag de vraag of de seksuele gerichtheid een nieuw gebleken feit of omstandigheid is, niet aan de vreemdeling mag worden tegengeworpen dat hij niet eerder over zijn seksuele geaardheid heeft verklaard. Eiser meent dat als dit in een opvolgende aanvraag niet mag worden tegengeworpen, dit zeker niet mag worden tegengeworpen aan eiser tijdens zijn eerste asielprocedure. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser tijdens een aanvullend gehoor niet meer kan verklaren over zijn gerichtheid. Eiser heeft juist aangegeven dat hij er nu wel over wil verklaren en voorbereid is. Door de vragen tijdens het nader gehoor en zijn gesprekken met de gemachtigde weet hij inmiddels dat hij hier tijdens zo’n gehoor open over kan praten en alles kan vertellen.
Beoordeling
6. De rechtbank ziet zich eerst gesteld voor de vraag of de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn gestelde biseksuele gerichtheid geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.
6.1.
Hoewel niet in geschil is dat eiser vage en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank eisers schaamte, en het daarmee samenhangende gebrek aan voorbereiding, om over zijn biseksuele gerichtheid te verklaren onvoldoende betrokken bij de besluitvorming. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser er terecht op heeft gewezen dat uit gehoor blijkt dat hij zich geneerde en niet had willen verklaren over zijn gerichtheid, omdat het raakte aan de directe aanleiding voor zijn vertrek. Ter zitting is verklaard dat eiser in de voorbereiding van zijn nader gehoor ook niet met zijn gemachtigde heeft gesproken over zijn gerichtheid. Eiser was dan ook niet voorbereid op de aan hem gestelde vragen over de seksuele gerichtheid.
6.2.
Hoewel uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat de hoormedewerker eiser de gelegenheid heeft geboden om over zijn relaties met mannen te verklaren en daarbij heeft aangegeven dat eiser zich niet hoefde te schamen, volgt de rechtbank de minister niet in de stelling dat dit maakt dat eiser daarom op dat moment ondanks zijn schaamte en gebrek aan voorbereiding consistent heeft moeten kunnen verklaren. De rechtbank acht daarbij van belang dat eisers beperkte verklaringen dusdanig zijn dat niet zonder meer kan worden uitgesloten dat de daarin geconstateerde tegenstrijdigheden inderdaad zijn ingegeven door schaamte en de daaruit voortvloeiende wens om te bagatelliseren. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat eiser afkomstig is uit een cultuur waar niet wordt gesproken over de seksuele gerichtheid. Eiser heeft tijdens het gehoor meermaals aangegeven dat het gênant is wat er is gebeurd en dat hij alles het liefste wilde vergeten, maar ook dat hij zijn gevoelens niet kan controleren en niet weet wat de toekomst brengt. In deze specifieke situatie kan de minister niet volstaan met het, zonder aanvullend gehoor, tegenwerpen van slechts enkele tegenstrijdigheden. De tegenwerpingen dat eiser niet eenduidig en bovendien summier heeft verklaard acht de rechtbank in deze zaak een onvoldoende motivering voor de ongeloofwaardigheid van eisers gestelde seksuele gerichtheid.
6.3.
Het standpunt van de minister dat eiser meer dan een jaar in Nederland verbleef voordat hij werd gehoord en daarom van hem verwacht had mogen worden dat hij voorbereid was om over zijn gerichtheid te verklaren, omdat hij in de tussentijd kennis had opgedaan van de positie van LHBTI, volgt de rechtbank niet. De minister heeft eiser niet gevraagd naar zijn kennis over de situatie van LHBTI in Nederland. Zodat enkel sprake is van een aanname dat eiser kennis zou hebben daaromtrent. Daarbij is van belang dat eiser niet van plan was om zijn gestelde gerichtheid naar voren te brengen tijdens een gehoor. Bovendien verbleef eiser in een regulier AZC, een omgeving waar, zoals eiser onbetwist heeft gesteld, evenmin open wordt gesproken over seksuele gerichtheid.
6.4.
De rechtbank overweegt verder dat de minister er niet in is geslaagd om eisers verwijzing naar WI 2019/17 gemotiveerd te weerleggen. De enkele stelling dat het een andere situatie betreft, omdat de opmerking in de WI ziet op een herhaalde aanvraag, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende. De minister heeft daarmee namelijk niet uitgelegd waarom in het geval van een opvolgende aanvraag de minister het niet eerder verklaren over de seksuele gerichtheid niet tegenwerpt, maar in het geval van eiser wel. Het standpunt van de minister in het verweerschrift dat het er om gaat dat eiser de tijd heeft gehad om zijn aanvraag voor te bereiden, daarbij alle asielmotieven mee te nemen en hierover uitgebreid en eenduidig te verklaren, volgt de rechtbank, gelet op overweging 6.3 niet. Bovendien is de minister er ook op de zitting niet in geslaagd uit te leggen waarom het hebben van voldoende tijd voor de voorbereiding niet zou gelden voor vreemdelingen die eerst ten tijde van hun herhaalde asielaanvraag over hun geaardheid verklaren.
6.5.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers seksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. De rechtbank meent daarnaast dat er sprake is van onzorgvuldige besluitvorming, omdat eiser niet aanvullend is gehoord. De beroepsgronden van eiser slagen. De minister moet eiser aanvullend horen.
Beroepsgronden ten aanzien van de problemen met de familie van de vrouw
7. Ten aanzien van de problemen met de familie van de vrouw voert eiser aan dat de authenticiteit van de verklaring van de Mokhtar niet wordt betwist. Verder voert eiser dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de familie tijd genoeg heeft gehad om hem te vermoorden, als zij dat werkelijk zouden hebben gewild. De minister neemt ten onrechte aan dat nu de familie eiser niet binnen drie maanden heeft vermoord er geen dreiging meer is. De minister is volgens eiser ten onrechte niet ingegaan op de verklaring van eiser dat de familie vermoedelijk hoopte op een geldbedrag en dat het niet valt uit te sluiten dat de familie hoopte dat eiser in detentie alsnog bereid zou zijn om dit te betalen.
7.1.
Ten aanzien van het standpunt van de minister over het stuk van het Amerikaanse State Department voert eiser aan dat de minister ten onrechte daarin leest dat eiser als man niet of minder heeft te vrezen voor eerwraak, omdat voornamelijk wordt gesproken over vrouwen die slachtoffer worden en over dat vrouwen volgens de wet minder goed beschermd worden dan mannen. Dat voornamelijk in niet-stedelijke gebieden eerwraak niet wordt gemeld is voor eiser niet zo belangrijk; waar het om gaat is dat hij de aanslag zelf vreest. Uit het stuk kan niet worden opgemaakt dat aanslagen in de stad [stad] minder vaak voorkomen dan in niet-stedelijke gebieden. Eiser blijft er dan ook bij dat uit het stuk van het State Department wel degelijk blijkt dat hij, op grond van de beschuldiging van overspel, te maken kan krijgen met eerwraak. Uit de verklaring van de Mokhtar blijkt bovendien dat de familie van de vrouw hem met de dood heeft bedreigd. Dat samen maakt dat hij wel degelijk het risico loopt om slachtoffer te worden van een wrede en onmenselijke behandeling, zodat eiser ook hierom een asielvergunning zou moeten krijgen.
Beoordeling
8. De rechtbank stelt vast dat de minister de authenticiteit en de inhoud van de verklaring van de Mokhtar niet bestrijdt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk heeft te vrezen voor de familie van de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze vrees niet aannemelijk is geworden.
8.1.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat de familie drie maanden de tijd heeft gehad om aan hun vergelding uiting te geven en dat nu eiser drie maanden zonder problemen in het land van herkomst heeft verbleven hij niet meer hoeft te vrezen. De minister legt niet uit waarom het voor de hand ligt dat de familie binnen de drie maanden tussen het vonnis en het vertrek van eiser uit het land hun plannen zouden hebben uitgevoerd. Daar komt bij dat eiser heeft aangegeven dat het juist niet logisch is om tijdens de bemiddeling door de Mokhtar eiser al te vermoorden, terwijl uit de verklaring van de Mokhtar volgt dat de onderhandelingen plaatsvonden na de ontvangst van het strafrechtelijk vonnis. De minister heeft ook op zitting niet gemotiveerd weten te weerleggen waarom eisers opmerking niet moet worden gevolgd. Bovendien volgt uit de verklaring van de Mokhtar en eisers toelichting dat de termijn tussen het einde van de onderhandelingen en eisers vertrek uit het land van herkomst bovendien korter zou zijn dan de drie maanden die de minister voldoende acht voor het uitvoeren van de gestelde plannen. De minister heeft, ook op de zitting, niet gemotiveerd waarom toch wordt vastgehouden aan de termijn van drie maanden.
8.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet dan wel onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op eisers stelling dat de familie van de vrouw geld wilde van eiser, wat in eerwraak kwesties niet ongebruikelijk is. De minister heeft in dit kader enkel opgemerkt dat het onlogisch is dat de familie van de vrouw zou verwachten dat eiser vanuit detentie alsnog zou betalen, omdat eiser zelf heeft verklaard dat zijn familie geen contact had met de familie van eiser. De minister heeft, ook op de zitting, niet gemotiveerd waarom uit het feit dat de familie van eiser niet werd lastig gevallen door de familie van de vrouw, volgt dat zij niet alsnog ten tijde van eisers strafrechtelijke detentie geld van eiser zouden eisen. De minister heeft niet uitgelegd waarom hij uitgaat van de noodzaak van direct contact tussen de familie van eiser en de familie van de vrouw, terwijl al eerder bijvoorbeeld met tussenkomst van de Mokhtar is onderhandeld.
8.3.
De rechtbank betrekt verder bij haar oordeel dat de minister ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat het logisch zou zijn geweest dat de familie van de vrouw eiser bij zijn woning hadden gezocht en dat niet valt in te zien hoe eiser zijn eigen woning geheim kon houden voor de familie van de vrouw. Uit het gehoor volgt niet dat eiser heeft verklaard dat hij zijn eigen woning geheim kon houden voor de familie van de vrouw. Eiser heeft verklaard dat hij geen idee had of de familie wist waar eiser woonde. Daarbij komt dat in de verklaring van de Mokhtar staat dat de Mokhtar namens de familie van eiser heeft geprobeerd het conflict te beslechten. Uit het voorgaande volgt daarom niet, anders dan de minister stelt, dat het zonder meer logisch is dat de familie van de vrouw weet waar eiser woont. De minister heeft zijn standpunt dan ook onvoldoende gemotiveerd.
8.4.
De beroepsgronden van eiser ten aanzien van de problemen met de familie van de vrouw slagen. De minister moet beter motiveren waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vergelding en op basis daarvan een reel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM.
Conclusie
9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond.
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De minister moet eiser aanvullend horen en een nieuw besluit moet nemen.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Werkinstructie.
Nader gehoor p.12.
Nader gehoor p.13.
Nader gehoor p.12 en p.26.
Nader gehoor p.18.
Nader gehoor p.24.
Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.