Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:18969
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,482 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/12670 en AWB 23/11428
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 17 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
[V-Nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
1.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier op een van de gronden van artikel 3.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Het verblijfsdoel is verblijf als familie- of gezinslid bij twee kinderen, allebei genaamd [naam] , [kind 1] ( [geboortedatum 1] 2014, 11 jaar) en [kind 2] ( [geboortedatum 2] 2012, 13 jaar). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 29 september 2023 afgewezen. Er is volgens de minister geen sprake van een Chavez-Vilchez verblijfsrecht omdat er geen sprake is van daadwerkelijke zorg en opvoeding, financiële steun en gezag. Ook is er volgens de minister geen sprake van schending van artikel 8 van het EVRM. Met het bestreden besluit van 31 juli 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.
1.3.
De gemachtigde van eiser heeft zich met de brief van 16 september 2024 onttrokken als gemachtigde van eiser. De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft het beroep op 5 juni 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Eiser is, zonder afmelding, niet verschenen. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
Vrijstelling griffierecht
2. Eiser heeft om vrijstelling verzocht van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Eiser wordt in deze procedure daarom (definitief) vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Is het beroep ontvankelijk?
3. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een beroepschrift gronden van beroep te bevatten. Als er geen beroepsgronden zijn vermeld, kan de rechtbank, na een herstelmogelijkheid, het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank beantwoordt daarom de vraag of het beroep van eiser ontvankelijk is en overweegt als volgt.
4. De toenmalige gemachtigde van eiser heeft op 9 augustus 2024 pro-forma beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 19 augustus 2024 per aangetekende post een ontvangstbevestiging naar de toenmalige gemachtigde van eiser verstuurd. In deze ontvangstbevestiging heeft de rechtbank vastgesteld dat het beroep niet aan de voorwaarden voldoet die aan een beroepschrift worden gesteld omdat er geen gronden van beroep zijn ingediend en er ook geen kopie van het bestreden besluit is toegezonden. De rechtbank heeft eiser daarom vier weken de gelegenheid geboden om beroepsgronden in te dienen en een kopie van het bestreden besluit toe te sturen. Op 16 september 2024 heeft de gemachtigde van eiser zich onttrokken als gemachtigde en de rechtbank geïnformeerd dat eiser nog geen opvolgende gemachtigde heeft en dat informatie over de procedure rechtstreeks aan eiser kan worden toegezonden, op het adres [postadres] . Vervolgens heeft de rechtbank op 17 september 2024 per aangetekende post en per normale post nogmaals de bovenstaande ontvangstbevestiging van het pro forma beroep naar het (post)adres van eiser verzonden en eiser weer vier weken de gelegenheid geboden om beroepsgronden in te dienen en een kopie van het bestreden besluit toe te sturen. Uit het bewijs van Track & Trace blijkt dat deze aangetekende brief op 19 september 2024 is bezorgd. Op 22 april 2025 heeft de rechtbank de uitnodiging voor de zitting per aangetekende post naar het (post)adres van eiser gestuurd. De rechtbank stelt vast dat eiser binnen de gestelde termijn geen beroepsgronden heeft ingediend. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zaak AWB 23/11428.