Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:18931
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,241 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31611
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.F. Kiers),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid en de problemen die eiser naar aanleiding daarvan heeft ondervonden niet geloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 en 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers verklaringen over zijn homoseksuele gerichtheid en de problemen als gevolg daarvan ongeloofwaardig zijn. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 24 februari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1990. Eiser is homoseksueel en is met een man betrapt in Gambia. Daardoor weten zowel mensen uit zijn omgeving als de politie van zijn seksuele gerichtheid. Eiser loopt gevaar in Gambia en kan daar niet in vrijheid leven.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. homoseksuele gerichtheid
4.1.
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser zijn door de minister geloofwaardig bevonden. Het tweede element acht de minister ongeloofwaardig. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij zich realiseerde dat hij op mannen valt. Ook heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt hoe zijn homoseksuele gerichtheid verder is ontwikkeld. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser weinig inzicht heeft gegeven in zijn relaties en dat zijn verklaringen over de situatie van homoseksuelen in Gambia oppervlakkig zijn. Ook heeft eiser zijn problemen wat betreft zijn homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk gemaakt. Omdat uit eisers verklaringen geen gegronde vrees voor vervolging blijkt en er ook geen reden is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen, komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vw 2000.
Strijd met de goede procesorde
5. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser één dag voor de zitting, op zondag 10 augustus 2025 om 20.52 uur nog een aanvullend stuk (een rapportage van LGBT Asylum Support van dertien pagina’s) heeft ingediend. In de brief aan partijen van 29 juli 2025 heeft de rechtbank meegedeeld dat zij uiterlijk één werkdag voor de zitting nog nieuwe stukken kunnen indienen. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser het stuk op de zondagavond voorafgaand aan de zitting heeft ingediend. Dit is korter dan één werkdag van tevoren, aangezien aanvullende stukken uiterlijk op vrijdag 8 augustus 2025 ingediend hadden moeten worden. In dit geval acht de rechtbank het indienen van een nieuw stuk door de gemachtigde van eiser op 10 augustus 2025 dan ook in strijd met de goede procesorde. Hierbij is het van belang dat de minister door het late indienen van het stuk is benadeeld, omdat zijn gemachtigde het stuk pas op de ochtend van de zitting heeft gezien en geen tijd heeft gehad om de inhoud van het stuk tot zich te nemen en hierop te reageren. De rechtbank laat het door de gemachtigde ingediende stuk van 10 augustus 2025 daarom buiten beschouwing en beoordeelt alleen de beroepsgronden van 22 juli 2025 en de stukken die op 7 augustus 2025 zijn ingediend.
Heeft de minister de homoseksuele gerichtheid van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
6. De minister stelt zich op het standpunt dat de homoseksuele gerichtheid van eiser en de problemen naar aanleiding hiervan ongeloofwaardig zijn. In het bestreden besluit heeft de minister een verdeling gemaakt van onderdelen waaruit dit relevante element bestaat. Voor de leesbaarheid van deze uitspraak, houdt de rechtbank dezelfde verdeling aan.
Verklaringen over hoe eiser ontdekte dat hij op mannen valt
6.1.
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen geloof hecht aan zijn seksuele gerichtheid. In dit kader voert eiser het volgende aan. Toen eiser zich realiseerde dat hij op mannen valt was hij erg jong, 12 of 13 jaar oud. Uit het bestreden besluit volgt niet hoe de jeugdige leeftijd van eiser destijds bij de besluitvorming is betrokken. Eiser was zo jong dat niet van hem kan worden verwacht dat hij specifieke gedachten had over het feit dat hij zijn vriend [persoon A] leuk vond. Eiser betoogt dat om die reden ook niet van hem kan worden verwacht dat hij de gedachten van destijds kan doorgronden, benoemen en omschrijven. Eiser is niet in staat om bij zichzelf te rade te gaan en te reflecteren op zijn gevoelens. Dit is iets wat eiser niet kent en waarvan hij niet weet hoe hij dat moet doen. Hetzelfde geldt voor het verklaren over zijn dromen die hij destijds had; dit waren dromen waarin seks voorkwam en in Gambia is het niet gebruikelijk om dit met je ouders te bespreken. Eiser voert aan dat niet altijd sprake is van een denkproces, soms is iets gewoon zoals het is, zoals in het geval van eiser. Eiser wist dat zijn homoseksuele gerichtheid geheim moest blijven, daar is geen specifiek denkproces voor nodig geweest. De opmerkingen van eiser met betrekking tot aanrakingen gaan over [persoon A], wat duidt op hoe eiser wist dat hij niet enkel vriendschappelijke gevoelens had voor [persoon A].
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij zich realiseerde dat hij op mannen valt. De minister overweegt hierbij niet ten onrechte dat, ondanks de jeugdige leeftijd van eiser ten tijde van de ontdekking van zijn homoseksuele gerichtheid, meer van eiser mag worden verwacht. De minister verwijst hierbij niet ten onrechte naar de verklaringen van eiser over zijn seksuele dromen, waardoor eiser zich realiseerde dat hij op mannen valt. Dat eiser destijds jong was en zich er weinig over kan herinneren, is niet genoeg om tot het oordeel te komen dat de minister de homoseksuele gerichtheid van eiser ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser is inmiddels 35 jaar oud, al langere tijd in Nederland en heeft kunnen reflecteren op zijn verleden. Het betoog van eiser dat hij niet weet hoe hij dit zou moeten doen, maakt dat niet anders. Ook heeft eiser in Nederland meegedaan aan activiteiten die georganiseerd worden door de LHBTI-gemeenschap. Er mag daarom meer kennis en ervaring van eiser worden verwacht. Ook heeft eiser in Gambia meerdere relaties gehad, waarvan één relatie 13 jaar duurde. Om die reden mocht de minister van eiser verwachten dat hij meer inzicht kon geven in de ontdekking van zijn homoseksuele gerichtheid. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser, met een verwijzing naar zijn dromen, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat zijn gedachten en gevoelens bij die dromen waren. De rechtbank is van oordeel dat de minister hierbij voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Van eiser mocht daarom worden verwacht dat hij meer inzicht kon verschaffen in zijn innerlijke belevingswereld.
Verdere ontwikkeling van de homoseksuele gerichtheid
6.3.
Eiser betoogt dat zijn homoseksuele gevoelens zich verder ontwikkelden naarmate zijn relatie met [persoon A] vorderde. Dit duurde tot het vertrek van [persoon A], in 2020. Toen [persoon A] was vertrokken, heeft de homoseksuele gerichtheid van eiser zich verder ontwikkeld toen hij relaties met andere mannen is aangegaan. Eiser voert aan dat de minister dit onvoldoende heeft betrokken in het bestreden besluit.
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zijn homoseksuele gerichtheid zich verder ontwikkelde na het vertrek van [persoon A], dus toen eiser 27 á 29 jaar oud was. In de verklaringen van eiser gaat het enkel over [persoon A], maar niet over de relatie van eiser met zijn volgende partner, [persoon B]. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat om die reden niet wordt ingezien dat de ontwikkeling waar eiser op doelde ging over dat eiser geen contact meer had met [persoon A], maar wel met [persoon B]. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat hij alleen [persoon A] kende in die tijd en dat zijn gevoelens voor [persoon A] steeds sterker werden.
Conclusie
6.11.
De minister heeft zich, gelet op alle relevante elementen, te weten hoe eiser ontdekte dat hij op mannen valt, de verdere ontwikkeling van de homoseksuele gerichtheid, weinig inzicht in relaties, de verklaringen over Gambia en de problemen die eiser in Gambia heeft ondervonden vanwege zijn gerichtheid, apart en in onderlinge samenhang bezien, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn homoseksuele gerichtheid onvoldoende heeft onderbouwd. Om die reden heeft de minister de homoseksuele gerichtheid van eiser en zijn gestelde problemen naar aanleiding daarvan ongeloofwaardig mogen achten.
Heeft de minister de asielaanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond geacht?
7. Eiser betoogt aan dat hij een verschoonbare reden heeft voor het niet direct indienen van zijn asielaanvraag en de minister zijn asielaanvraag daarom ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. In dit kader voert eiser het volgende aan. Toen eiser in Polen was werd hij gebeld door een vriendin en toen bleek dat hij in Gambia in gevaar was. Omdat eiser een visum had voor Nederland, moest hij eerst terugkeren naar Nederland. Eiser is toen opgevangen door een aantal jongens die hem informeerden over de mogelijkheid om asiel aan te vragen. Eiser is vervolgens naar Ter Apel gegaan en heeft asiel aangevraagd.
7.1.
De minister kan een asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond wanneer een vreemdeling onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich niet zo snel mogelijk heeft gemeld voor asiel. Eiser is rond 28 januari 2023 voor de tweede keer binnengekomen in Nederland. Op 21 februari 2023 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland, terwijl zijn visum op 14 februari 2023 verliep. Het feit dat eiser twee weken onderdak heeft gekregen, is geen verschoonbare reden voor het niet onverwijld melden voor asiel. Om die reden heeft de minister de asielaanvraag van eiser mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000
ABRvS 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885.
Dit volgt uit artikel 30, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000
Beoordeling
Wanneer in het nader gehoor wordt gevraagd wat eiser er dan mee bedoelt dat zijn gevoelens sterker werden, verklaart eiser dat de liefde tussen [persoon A] en hem steeds sterker werd. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser geen duidelijkheid heeft weten te verschaffen over hoe zijn homoseksuele gerichtheid is ontwikkeld na het vertrek van [persoon A], terwijl de minister dat wel van belang heeft mogen achten voor de geloofwaardigheid van eiser over de verdere ontwikkeling van zijn homoseksuele gerichtheid.
Inzicht in relaties
6.5.
Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat hij te weinig inzicht in zijn relaties heeft gegeven. Eiser betoogt dat hij veel informatie heeft gegeven over zijn relatie met [persoon A] die 13 jaar heeft geduurd. Het kan niet aan eiser worden tegengeworpen dat hij tijdens de relatie met [persoon A] niet veel bezig was met het bespreken van de relatie en de moeilijkheden. [persoon A] en eiser maakten veel plezier, waren intiem met elkaar en spraken over dagelijkse dingen. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd wat hij nog meer had moeten verklaren over het verschil tussen een vriendschapsrelatie en een liefdesrelatie. Ook betoogt eiser dat hij het begin van zijn relatie met [persoon A] uitgebreid heeft omschreven. Hetzelfde geldt voor de relatie met [persoon C].
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte zich op het standpunt stelt dat eiser weinig inzicht heeft gegeven in zijn relaties. Ten aanzien van de relatie met [persoon A] verwacht de minister, gelet op de lange relatie die eiser met [persoon A] zou hebben gehad, niet ten onrechte van eiser dat hij uitgebreid en gedetailleerd kan verklaren over deze relatie. Dat eiser heeft verklaard over hoe vaak ze elkaar zagen en wat ze dan deden, heeft de minister niet tot de conclusie hoeven leiden dat kan worden gesproken van een geloofwaardige homoseksuele gerichtheid. Het zwaartepunt ligt, zoals volgt uit Werkinstructie 2019/17, op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen van eiser en zijn persoonlijke beleving ten aanzien van zijn seksuele gerichtheid. Dit volgt ook uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de antwoorden van eiser op deze vragen onvoldoende zijn. Dat eiser aangeeft dat hij niet vaak met [persoon A] over de geheimhouding van de relatie sprak en dat het ook niet iets was waar hij veel mee bezig was, maakt niet dat niet van eiser kan worden verwacht dat hij zijn relaties inzichtelijk maakt. Ondanks dat eiser ten tijde van het begin van de relatie met [persoon A] jong was, mag de minister van eiser verwachten dat hij bijvoorbeeld inzicht kan verschaffen in het begin van de dertienjarige relatie. Hierbij wordt door de minister wederom en niet ten onrechte op het eerder besproken referentiekader van eiser gewezen. Ten aanzien van de relatie met [persoon C], stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser te algemeen heeft verklaard over de relatie en dat meer van hem mocht worden verwacht, aangezien eiser een volwassen man is. Ook hierbij wordt het referentiekader van eiser betrokken. De minister stelt zich hierbij niet ten onrechte op het standpunt dat niet wordt ingezien dat eiser niet verder komt dan de algemene verklaringen over [persoon C], aangezien zij elkaar regelmatig spreken over de telefoon en eiser en [persoon C] elkaar al sinds 2019 kennen.
Verklaringen over de situatie in Gambia
6.7.
Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn verklaringen over de situatie in Gambia oppervlakkig zijn. Toen eiser 17 jaar oud was, heeft hij zijn biologieleraar gevraagd of het klopt dat een man gevoelens voor een man kan hebben. De gemachtigde van eiser heeft per abuis in de zienswijze opgenomen dat eiser toen 13 of 14 jaar oud was. Eiser voert aan dat hij dit heeft gevraagd aan de leraar omdat domme vragen op deze leeftijd niet bestaan. Dat andere leerlingen hierom moesten lachen was normaal omdat het geen alledaagse vraag was.
6.8.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de verklaringen van eiser over de situatie in Gambia oppervlakkig zijn. Hierbij is het van belang dat eiser in de zienswijze aanvoert dat hij destijds 13 of 14 jaar oud was, terwijl hij in het nader gehoor heeft verklaard dat hij toen 17 jaar oud was. Los van deze verschillen heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat het met eiser deed dat andere leerlingen gingen lachen, aangezien eiser is opgegroeid in een land waar homoseksualiteit verboden is.
Problemen in Gambia
6.9.
Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij zijn problemen in Gambia niet aannemelijk heeft gemaakt. Met betrekking tot het geven van een lift aan [persoon D], een collega van eiser, betoogt eiser als volgt. Er was een nauwere band omdat eiser en [persoon D] uit hetzelfde dorp kwamen en vaak samen reisden. Eiser had hierdoor niet verwacht dat [persoon D] zijn geheim, zijn homoseksuele gerichtheid, ging doorvertellen. Eiser voert aan dat betrapt worden terwijl de homoseksuele gerichtheid wordt geuit en hiervoor gearresteerd worden twee verschillende elementen zijn. Om die reden vond eiser het veilig om, nadat hij betrapt was, wel weer aan het werk te gaan. Eiser betoogt dat hij een zorgvuldige risico-inschatting heeft gemaakt toen hij terugkeerde naar Gambia. Eiser is pas teruggekeerd, toen bleek dat niemand hem op zijn werk had opgezocht.
6.10.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser zijn problemen wat betreft zijn homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft in het nadere gehoor verklaard dat hij [persoon D] soms een lift gaf toen hij nog bij het hotel werkte. Dit is een andere verklaring dan die eiser in de zienswijze geeft, namelijk dat [persoon D] voor vervoer afhankelijk was van eiser. Eiser heeft in de zienswijze aangegeven dat hij niet bevriend was met [persoon D]. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij dan het risico heeft genomen om, nadat [persoon C] en eiser waren betrapt door [persoon D], weer aan het werk te gaan. De minister volgt eiser verder niet ten onrechte niet in zijn verklaringen omtrent zijn terugkeer naar Gambia en evenmin dat eiser dacht dat het met een sisser was afgelopen. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser wist wat de consequenties van homoseksualiteit in Gambia zijn en heeft verklaard dat een man gevangen genomen kan worden wanneer hij wordt betrapt.