Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:18920
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,402 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47290
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. De minister heeft op 6 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 6 oktober 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting zal worden behandeld.
Beoordeling
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. Uit de uitspraak van 2 september 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 27 augustus 2025) rechtmatig is.
Voortvarend handelen en zicht op uitzetting
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hij verblijft inmiddels al bijna zes maanden in vreemdelingenbewaring, waarvan al meer dan vier maanden op de huidige grondslag. Eiser meent dat de minister onvoldoende voortvarend handelt door tot nu toe niets met zijn opmerkingen te doen dat hij in Syrië is geboren en pas daarna naar Algerije is gegaan. Hierdoor is de kans klein dat de Algerijnse autoriteiten aan eiser een vervangend reisdocument zullen verstrekken. Eiser meent dat in zijn geval onvoldoende zicht is op uitzetting. Eiser is niet geboren in Algerije, maar in Syrië. Daarom verwacht eiser niet dat er voor hem een laissez-passer (lp) zal worden verstrekt door de Algerijnse autoriteiten.
4.1.
De rechtbank stelt in eerste instantie vast dat eiser in zijn eerdere vervolgberoep dezelfde beroepsgronden naar voren heeft gebracht. De rechtbank verwijst naar het oordeel in de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 2 september 2025. De rechtbank neemt mee dat de minister in de asielprocedure eisers gestelde Syrische nationaliteit niet geloofwaardig heeft geacht bij de meeromvattende beschikking van 7 juli 2025 en dat hij moet terugkeren naar Algerije of Syrië. Bij uitspraak van 13 september 2024 is het beroep tegen deze beschikking ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt dat het in beginsel aan de minister is om te bepalen welk traject hij het meest kansrijk acht om eiser uit te zetten. Daar komt bij dat de rechtbank in de eerdere uitspraak ook heeft geoordeeld dat er zicht op uitzetting is naar Algerije en dat de omstandigheid dat de lp nog niet is verstrekt, niet afdoet aan het zicht op uitzetting.
4.2.
Verder blijkt uit de voortgangsrapportage dat de minister sinds de vorige uitspraak op 4 september 2025, op 16 september 2025 en op 25 september 2025 heeft gerappelleerd. Daarnaast heeft de minister op 10 september 2025 een vertrekgesprek gehad met eiser. Uit het voorgaande blijkt dat de minister met voldoende voortvarendheid werkt aan de uitzetting van eiser.
4.3.
De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland of dat er geen zicht op uitzetting is. De beroepsgronden slagen daarom niet.
Ambtshalve toetsing
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2025:16364.
ECLI:NL:RBDHA:2025:16364.
Zaaknummers: NL24.31434 en NL24.31435 (niet gepubliceerd).
Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag (zp. Utrecht) 23 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9134.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.