Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:18904
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,432 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48000
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 28 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1999 en de Pakistaanse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder terecht overwogen dat een concreet aanknopingspunt bestaat dat eiser onder de Dublinverordening valt. Bij raadpleging van het Eurodac-systeem bleek dat eiser meerdere asielaanvragen heeft ingediend in verschillende lidstaten. Om die reden heeft verweerder terecht artikel 59a, eerste lid, van de Vw aan de maatregel ten grondslag gelegd. De omstandigheid dat verweerder nog geen overdrachtsbesluit heeft genomen, doet niet af aan het geconstateerde aanknopingspunt.
3. Volgens verweerder bestaat er een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd. Voor de gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen. Het gestelde risico op onttrekking is hiermee voldoende onderbouwd. Voor zover eiser aanvoert dat bij de motivering van de gronden onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische gesteldheid, overweegt de rechtbank dat die stelling niet kan leiden tot een ander oordeel over de feitelijke juistheid van de gronden en het aan te nemen risico op onttrekking.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het genoemde risico op onttrekking aan het toezicht te ondervangen. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser niet detentieongeschikt is. Voorafgaand aan zijn inbewaringstelling is eiser onderzocht door een politiearts, die daarbij overleg heeft gevoerd met de crisisdienst van de GGD. Zij oordeelden dat eiser detentiegeschikt is. Verweerder heeft in dit verband ook terecht overwogen dat in het detentiecentrum adequate medische zorg aanwezig is waar eiser een beroep op kan doen. Als volgens eiser in het detentiecentrum onvoldoende zorg kan worden gegeven, dan kan hij bij de directie van het detentiecentrum een verzoek indienen om te worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hij onvoldoende is gehoord door verweerder. Uit het proces-verbaal van gehoor volgt dat eiser nadrukkelijk is gevraagd naar eventuele klachten, naar omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden en naar zijn zienswijze op het voornemen om hem in bewaring te stellen. Eiser heeft in reactie op deze vragen niets verklaard dat verweerder aanleiding had moeten geven tot het opleggen van een lichter middel.
6. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 oktober 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Verordening (EU) Nr. 604/2013.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.