Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-01
ECLI:NL:RBDHA:2025:18899
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,059 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24263
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De behandeling van het beroep stond gepland op de zitting van 11 juli 2025. Partijen zijn echter, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op 11 juli 2025 gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993. Op 30 april 2025 heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Op 11 juni 2025 is eiser uitgezet naar Algerije.
2. Uit het bericht van eisers gemachtigde van 24 juni 2025 volgt dat eiser zijn beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit intrekt en zijn beroep voor gericht tegen het inreisverbod handhaaft. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak daarom alleen de rechtmatigheid van het inreisverbod. Zij doet dit aan de hand van de aangevoerde beroepsgrond(en).
Inreisverbod
3. Eiser voert aan dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij heeft namelijk een vriendin in België en door het inreisverbod kan hij zijn gezinsleven met haar gedurende twee jaar niet in de Europese Unie uitoefenen. Verweerder heeft hiermee onvoldoende rekening gehouden bij zijn besluitvorming, aldus eiser.
3.1.
Gelet op het terugkeerbesluit zonder vertrektermijn, waartegen het beroep dus niet langer is gericht, is verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) gehouden aan eiser een inreisverbod op te leggen. Uit artikel 66a, achtste lid, van de Vw volgt dat verweerder om humanitaire of andere redenen kan afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Volgens paragraaf A4/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 vaardigt verweerder geen inreisverbod uit als dit een schending van artikel 8 van het EVRM betekent.
3.2.
Eiser is voorgaand aan de oplegging van het (terugkeerbesluit en) inreisverbod gehoord. Daarbij heeft hij verklaard dat hij een vriendin heeft in België, die zwanger van hem is. Eiser heeft zijn gestelde relatie en gezinsleven tijdens het gehoor echter nauwelijks geconcretiseerd en helemaal niet onderbouwd met bewijsstukken. Ook in beroep heeft eiser geen stukken overgelegd die zijn gestelde relatie en gezinsleven onderbouwen. Bij gebreke van een voldoende concretisering en elke onderbouwing van de gestelde relatie bestaat er geen grond voor het oordeel dat het inreisverbod een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert, heeft verweerder in de gestelde relatie dus geen aanleiding hoeven zien om van oplegging van het inreisverbod af te zien en heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit kunnen volstaan met de algemene motivering dat niet is gebleken van omstandigheden die maken dat afgezien moet worden van het opleggen van een inreisverbod. De (enige) beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.