Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-01
ECLI:NL:RBDHA:2025:18897
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,455 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20941
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het terugkeerbesluit van 10 april 2025 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.1.
Een terugkeerbesluit is de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld (artikel 3, aanhef en vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155, overwogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese (Hof) van 14 mei 2020, FMS e.a., ECLI:EU:C:2020:367, volgt dat in een terugkeerbesluit daarnaast moet worden vermeld naar welk land de vreemdeling in kwestie moet terugkeren. Het is in dit kader niet zonder meer vereist dat in het terugkeerbesluit een uitdrukkelijke opdracht aan de vreemdeling wordt opgenomen om naar een derde land te vertrekken. Voldoende is dat uit de motivering van het terugkeerbesluit voor de vreemdeling duidelijk wordt naar welk derde land hij dient terug te keren, of als hij niet aan zijn vertrekplicht voldoet, naar welk land hij door verweerder zal worden uitgezet (vgl. r.o. 10.1. van voormelde Afdelingsuitspraak).
1.2.
Bij besluit van 21 april 2016 heeft verweerder eisers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht vanaf 31 juli 2013 ingetrokken, aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd en tegen eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd. In dit besluit is niet expliciet een land van terugkeer genoemd. Wel volgt uit dat besluit dat wordt uitgegaan van de Marokkaanse nationaliteit van eiser. Verder is in dat besluit uitvoerig gemotiveerd dat en waarom een uitzetting van eiser naar Marokko niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Daarbij is verweerder uitdrukkelijk ingegaan op de banden die eiser met Marokko heeft en heeft verweerder gemotiveerd dat van eiser kan worden verwacht dat hij opnieuw een bestaan in Marokko opbouwt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat uit de motivering van het besluit van 21 april 2016 duidelijk blijkt dat verweerder van eiser verwacht dat hij terugkeert naar Marokko en dat verweerder eiser naar Marokko zal uitzetten als hij daarheen niet uit eigen beweging terugkeert. Er kan na het besluit van 21 april 2016 op geen enkel moment onduidelijkheid hebben bestaan over het land waarnaar eiser moet terugkeren (namelijk Marokko).
1.3.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het in het besluit van 21 april 2016 vervatte terugkeerbesluit voldoet aan het (uit het arrest FMS voortvloeiende) vereiste dat in een terugkeerbesluit het land van terugkeer moet worden vermeld. Het terugkeerbesluit voldoet ook aan de overige vereisten (te weten: vaststelling geen rechtmatig verblijf en oplegging vertrekplicht) waaraan een terugkeerbesluit moet voldoen. Dit betekent dat op 21 april 2016 een rechtsgeldig terugkeerbesluit is genomen.
1.4.
Niet in geschil is dat eiser de Europese Unie na de oplegging van het terugkeerbesluit van 21 april 2016 niet heeft verlaten. Het terugkeerbesluit van 21 april 2016 geldt dan ook nog steeds. De in dat terugkeerbesluit gegeven vertrektermijn van vier weken was op 10 april 2025, toen verweerder het tweede terugkeerbesluit (het bestreden besluit) nam, al verstreken. Met het terugkeerbesluit van 10 april 2025, waarin is bepaald dat eiser de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten, is daarom geen ander, verderstrekkend rechtsgevolg ingetreden dan uit het al eerder genomen terugkeerbesluit van 21 april 2016 voortvloeit.
1.5.
Gelet op het voorgaande is het terugkeerbesluit van 10 april 2025 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb beroep kan worden ingesteld. Dit betekent dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen het terugkeerbesluit van 10 april 2025. Aan een beoordeling van de beroepsgronden komt de rechtbank dan ook niet toe.
1.6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het bestreden besluit.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.