Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:187
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
892 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48131
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M. Verzijden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van 26 november 2024 om zijn asielaanvraag buiten behandeling te stellen.
1.1.
De rechtbank heeft, na hiervoor toestemming te hebben gekregen van partijen, bepaald dat een zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het beroep
van eiser niet inhoudelijk wordt behandeld en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna
legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Bij bericht van 5 januari 2025 heeft de minister een bijlage gestuurd waaruit volgt dat eiser sinds 16 september 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd bij bericht van 7 januari 2025 medegedeeld dat hij geen contact meer heeft met eiser.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
5. Nu eiser op 16 september 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en hij geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde, moet ervan uit worden gegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming en op een beoordeling van zijn beroep. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen het bestreden besluit.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.