Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:18695
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,350 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40799
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Sahin),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 augustus 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 26 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 3 juli 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 7 juli 2025 aanvaard.
Mocht de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser is van mening dat voor Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat er concrete aanwijzingen hiervoor zijn. Er zijn namelijk structurele en systematische tekortkomingen met betrekking tot de opvang voor asielzoekers. Eiser verwijst naar het AIDA-rapport (update 2024) over Duitsland, waarin staat dat zelfs als asielzoekers niet in tenten maar in huizen wonen, de leefomstandigheden in veel gevallen rampzalig zijn. Ook zijn er meldingen gemaakt van een achterstand in de registratie, gebrek aan privacy, vieze sanitaire voorzieningen en overlast ’s nachts. Verder staat in het AIDA-rapport dat in het aankomstcentrum in Thüringen veel gewelddadige conflicten zijn gemeld als gevolg van een gebrek aan personeel. Daarnaast omschreef de ngo ‘Ärtze der Welt’ de leefomstandigheden in de faciliteit als ‘morbide’ en beweerde dat adequate behandeling, met name behandeling van personen met psychische stoornissen, onder de gegeven omstandigheden onmogelijk was. Onvoldoende bescherming tegen geweldpleging, gebrek aan privacy en nachtelijke verstoringen belemmerden de geestelijke gezondheid.
5.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 november 2017, 26 maart 2019, 8 november 2023, 11 september 2024 en 14 februari 2025. In deze uitspraken is geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van systeemgerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zodat niet langer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
5.2.
Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor de verzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die de verzoeker heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van het EU Handvest te leiden. Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 geoordeeld dat voor Duitsland nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraak van 11 september 2024 en 14 februari 2025. De Afdeling heeft in die laatste uitspraak geoordeeld dat het AIDA-rapport over Duitsland (update 2022) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van Dublinclaimanten in Duitsland dan volgt uit eerdere rapporten die reeds in eerdere uitspraken zijn betrokken. Het door eiser aangehaalde AIDA-rapport (update 2024) bevat naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk andere informatie dan volgt dan uit de eerdere AIDA-rapporten. Eiser heeft ook niet gesteld en aannemelijk gemaakt dat uit het aangehaalde rapport blijkt dat er sprake is van een (relevante) verslechtering van de omstandigheden in Duitsland ten opzichte van de situatie die al door de Afdeling is beoordeeld. Het rapport geeft de rechtbank dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel. Ook uit de andere bron waar eiser naar verwijst volgt niet zonder meer dat er sprake is van een (mogelijk toekomstige) schending van artikel 3 EVRM of artikel 4 van het EU Handvest wegens gebreken in de opvang. Verder hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser toch problemen ondervindt, mag op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk of zinloos zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummer NL25.40800.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
Pagina 178-179.
ECLI:NL:RVS:2017:3291.
ECLI:NL:RVS:2019:913.
ECLI:NL:RVS:2023:4107.
ECLI:NL:RVS:2024:3661.
ECLI:NL:RVS:2025:588.
Dit toetsingskader volgt uit HvJ 29 februari 2024 (arrest X), ECLI:EU:C:2024:195, en ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.
EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 (M.S.S. tegen België en Griekenland), overweging 263, en HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), punten 91-93.
Arrest N.S., punt 82.
ECLI:NL:RVS:2023:4107.
ABRvS 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.
ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:575.