Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:1865
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,827 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46497
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedatum] 2001 te Senegal,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
(gemachtigde: mr. [advocaat]),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. M. Volker).
Procesverloop
Eiser heeft op 14 november 2024 bij de KMar doorlaatpost Schiphol een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft daarop aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, welke maatregel nog voortduurt. De rechtmatigheid van deze vrijheidsontnemende maatregel ligt in de onderhavige procedure niet ter toetsing voor.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser in zijn besluit van 23 november 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond, welk besluit een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar omvat. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.4649).
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 februari 2025 ter zitting geagendeerd. Gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat eiser de behandeling van het beroep wil bijwonen en heeft de rechtbank verzocht om zorg te dragen voor het vervoer. Gelet op de vrijheidsontnemende maatregel en de grondslag van deze maatregel, heeft de rechtbank zich nader vergewist of het vervoeren van eiser om hem ter zitting in Roermond te horen, wat betekent dat eiser feitelijk toegang wordt geboden tot Nederland, gevolgen zou hebben voor de juridische toegangsweigering en de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank heeft hiertoe contact opgenomen met zowel AC Schiphol, als met de procesvertegenwoordiger. Omdat er vanuit de zijde van verweerder geen bezwaren bestonden tegen het in persoon in de zittingszaal in Roermond horen van eiser in zijn asielprocedure, heeft de rechtbank zorggedragen voor vervoer en een tolk. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft blijkens het -in persoon uitgereikte- voornemen twee asielmotieven geduid in het asielrelaas van eiser en de geloofwaardigheid van deze asielmotieven beoordeeld op grond van zijn beleid zoals neergelegd in paragraaf C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire. Verweerder heeft het asielmotief “identiteit, nationaliteit en herkomst” geloofwaardig geacht gelet op het echt bevonden paspoort dat eiser heeft overgelegd. Verweerder heeft het tweede asielmotief “problemen met de familie” niet geloofwaardig geacht. Bij de beoordeling of het geloofwaardig geachte asielmotief tot bescherming moet leiden, is verweerder uitgegaan van de aanwijzing van Senegal als veilig land van herkomst en de vaststelling dat eiser niet behoort tot de categorieën van personen die zijn uitgezonderd van de veilig land van herkomst-presumptie.
2. Namens eiser is geen zienswijze ingediend. De rechtbank overweegt dat, zoals ter zitting besproken, de door eiser in de beroepsfase gemaakte opmerkingen niet kunnen worden gekwalificeerd als beroepsgronden. In het op 25 november 2024 gedateerde beroepschrift is vermeld dat de gronden later worden ingediend. In de op 3 december 2024 ingediende gronden is naar voren gebracht dat gemachtigde nog niet met eiser heeft kunnen spreken en de gronden zullen worden aangevuld en dat “de bijzondere omstandigheden die zullen moeten worden aangedragen omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst spoedig in het proces zullen worden ingebracht”. In de op 17 december 2024 ingediende aanvullende gronden is uitsluitend verwezen naar een reeds bij het nader gehoor overgelegd kort schrijven van eiser dat is gericht aan de rechter en waarin hij zelf zijn asielrelaas heeft weergegeven. Hierbij is door zijn gemachtigde toegelicht dat in deze weergave van het relaas het tijdsverloop duidelijk wordt. De rechtbank heeft er ter zitting op gewezen dat eiser geen enkel argument heeft aangedragen om het besluit te betwisten en niets heeft aangevoerd over de geloofwaardigheidsbeoordeling, de wijze waarop deze op grond van het (nieuwe) beleid is verricht en ook geen opmerkingen heeft gemaakt over de zwaarwegenheidsbeoordeling en de aanwijzing van Senegal als veilig land van herkomst. Verweerder heeft ter zitting aangegeven ook geen beroepsgronden te kunnen duiden in deze stukken.
3. De rechtbank overweegt dat de rechtbank in beginsel allereerst een besluit aan de hand van de beroepsgronden toetst. Indien er geen beroepsgronden worden ingediend, kan de rechtbank eiser niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep. Ook indien er geen beroepsgronden zijn ingediend, dient de rechter evenwel ambtshalve na te gaan of het refoulementbeginsel is geëerbiedigd. Eén van de gevolgen van een niet-ontvankelijkheidverklaring vanwege het ontbreken van beroepsgronden is immers dat het terugkeerbesluit als onderdeel van de meeromvattende beschikking komt vast te staan. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat (Arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, K.L.M.N. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892).
4. De rechtbank merkt hierbij op dat het arrest Ararat betrekking heeft op de uitlegging van richtlijn 2008/115 en niet van richtlijn 2013/32. Het Hof heeft de op 7 januari 2025 door deze rechtbank en zittingsplaats gestelde prejudiciële vraag of -kort gezegd- de verplichting van de rechter om ambtshalve na te gaan of het refoulementrisico wordt geëerbiedigd niet alleen in het kader van de rechtmatigheidsbeoordeling van het terugkeerbesluit, maar ook bij de rechtmatigheidsbeoordeling van de beoordeling van de beschermingsbehoefte onverkort geldt, nog niet beantwoord (ECLI:NL:RBDHA:2025:136 en ECLI:NL:RBDHA:2025:139).
5. De rechtbank overweegt voorts dat het Hof van Justitie in haar arrest van 4 oktober 2024 in de zaak CV (Arrest van het Hof van 4 oktober 2024 in de zaak CV, C-406/22, ECLI:EU:C:2024:841) onder meer het navolgende voor recht heeft verklaard:
(…)
“3) Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer bij een rechterlijke instantie beroep wordt ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming dat is onderzocht in het kader van de bijzondere regeling voor verzoeken van verzoekers die afkomstig zijn uit derde landen die overeenkomstig artikel 37 van richtlijn 2013/32 als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, deze rechterlijke instantie er in het kader van het krachtens artikel 46, lid 3, vereiste volledige en ex-nunconderzoek, op basis van de elementen van het dossier en de elementen die haar in de loop van het geding ter ore zijn gekomen, rekening mee moet houden dat de in bijlage I bij die richtlijn geformuleerde materiële voorwaarden voor een dergelijke aanmerking niet zijn vervuld, ook wanneer dit niet uitdrukkelijk tot staving van dit beroep is aangevoerd.”
(…)
6. Deze verklaring voor recht betekent dat de rechtbank ook indien bij aanvang van de behandeling van het beroep ter zitting reeds duidelijk is dat uit de schriftelijke reacties op het besluit geen beroepsgronden zijn te destilleren, in het kader van het krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 vereiste volledige en ex-nunc onderzoek, ambtshalve moet onderzoeken of aan de in bijlage I bij deze richtlijn geformuleerde materiële voorwaarden voor de aanmerking van een land van herkomst als veilig is voldaan, reeds omdat dit onderzoek ook de rechtmatigheid van de in het bestreden besluit opgelegde terugkeerplicht regardeert. Indien bij het horen van de verzoeker om internationale bescherming, bij de beoordeling van zijn asielrelaas en bij het beslissen op de asielaanvraag ten onrechte is uitgegaan van de aanname dat het land van herkomst van de verzoeker om internationale bescherming als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, valt niet uit te sluiten dat de beoordeling van het refoulementrisico onvolledig of onjuist is geweest.
7. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 8 januari 2025 onder verwijzing naar bovengenoemd arrest van het Hof van 4 oktober 2024 in de zaak CV geoordeeld dat verweerder Senegal ten onrechte heeft aangemerkt als veilig land van herkomst (ECLI:NL:RBDHA:2025:190). De rechtbank heeft in haar uitspraak onder meer het navolgende overwogen:
(…)
“7. Verweerder heeft op 21 augustus 2023 bij de zogenoemde herbeoordeling, Senegal aangemerkt als veilig land van herkomst met uitzondering van LHBTI en personen die te maken krijgen met strafrechtelijke vervolging. Het begrip “veilig land van herkomst”, de nationale aanmerking van derde land als veilig land van herkomst en de materiële voorwaarden waaraan een derde land moet voldoen om aangemerkt te kunnen worden als veilig land van herkomst zijn geregeld in artikelen 36 en 37 en Bijlage II van richtlijn 2013/32.
(…)
10. Het Hof van Justitie heeft in haar uitspraak van 4 oktober 2024 in de zaak CV nader uitgelegd onder welke voorwaarden een derde land als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt en meer in het bijzonder uitgelegd of bij het aanmerken van een land als veilig land van herkomst, kan worden bepaald dat dit niet voor het hele grondgebied van land geldt.(…)
(…)
23. De rechtbank concludeert dan ook dat zolang richtlijn 2013/32 van toepassing is, een derde land uitsluitend als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt als deze presumptie voor het hele land en voor alle onderdanen geldt en dus voor het
hele grondgebied
van het betreffende derde land en voor
alle onderdanen
van dat derde land wordt voldaan aan de in bijlage I bij richtlijn 2013/32 gestelde materiële voorwaarden.
(…)
27.
Dictum
De rechtbank:
-verklaart beroep gegrond;
-vernietigt het besluit van 23 november 2024;
-draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
-veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 februari 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.