Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:18639
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,421 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.746
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , [V-Nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. Ruijs),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder, hierna: de minister.
Procesverloop
1.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 20 juli 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 december 2023 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar buiten de bezwaartermijn is ingediend.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
Vrijstelling griffierecht
2. Eiseres heeft om vrijstelling verzocht van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat zij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Eiseres wordt in deze procedure daarom (definitief) vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Beoordeling
3.1.
Eiseres voert aan dat het juist is dat het bezwaarschrift op 20 september 2022 is ingezonden, waarbij het primaire besluit dateert van 20 juli 2022. Eiseres stelt zich echter op het standpunt dat zij dit besluit eerst op 16 september 2022 heeft ontvangen. Volgens eiseres is het aan de minister om bijvoorbeeld via de verzendadministratie aan te tonen dat het primaire besluit aan eiseres is verstuurd. Vooralsnog blijkt hier niet van, ook niet uit hetgeen kenbaar is uit het onderliggende dossier. Er is dus sprake van een gerechtvaardigde termijnoverschrijding. De minister stelt in het bestreden besluit enkel van navraag naar de bekendmakingsdatum. Dit is onvoldoende volgens eiseres omdat moet vaststaan op welk moment het besluit aan haar verzonden is. Dit klemt des te meer omdat de minister niet uitlegt en toelicht uit welke handelingen de bekendmaking bestaat.
3.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vier weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Niet in geschil is dat eiseres het bezwaarschrift op 20 september 2022 heeft ingediend. In geschil is de vraag op welke datum het primaire besluit aan eiseres is uitgereikt en of dientengevolge de termijn voor het indienen van het bezwaar is gaan lopen op 20 juli 2022, zoals de minister stelt, of op 16 september 2022, zoals eiseres stelt.
3.3.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), volgt dat, indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, het in beginsel aan het bestuursorgaan is om de verzending van het besluit aannemelijk te maken. Als het bestuursorgaan de verzending aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om voormeld vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van wat hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.
3.4.
De minister heeft een e-mailconversatie overgelegd waaruit blijkt dat door een medewerker van het consulaat is bevestigd dat het primaire besluit op 20 juli 2022 aan eiseres is bekendgemaakt. Daarnaast heeft de minister een interne notitie overgelegd waaruit blijkt dat het primaire besluit op 20 juli 2022 de status “uitgereikt” heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat het primaire besluit op 20 juli 2022 aan eiser is uitgereikt. De enkele stelling van eiseres dat zij dit besluit eerst op 16 september 2022 heeft ontvangen, is onvoldoende om het vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. Nu het bezwaar niet binnen de wettelijke termijn is ontvangen, heeft de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Hoorplicht
4. Aangezien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, kon de minister afzien van het horen van eiseres.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1138.
Artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb.