Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:18638
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,034 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.554
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , [V-Nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Petkovic),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder, hierna: de minister.
Procesverloop
1.1.
Met het besluit van 25 december 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen uitgevaardigd.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De zaak is op 28 mei 2025 ter zitting aan de orde gesteld. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Beoordeling
2. Op 25 december 2023 is op grond van artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij te lang in het Schengengebied is verbleven. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) als lichte gronden vermeld dat eiser zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Eiser is omtrent dit besluit in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken en heeft hierbij volgens de minister geen bijzondere omstandigheden aangevoerd.
3. Eiser voert aan dat de minister het terugkeerbesluit heeft genomen in strijd met artikel 3:2, 3:4 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, nu dit besluit met onvoldoende zorgvuldigheid is voorbereid en niet, althans onvoldoende, is gemotiveerd. Verder stelt eiser dat de minister ten onrechte aan het terugkeerbesluit ten grondslag heeft gelegd dat is gebleken dat hij onrechtmatig in Nederland verblijft. Niet in geschil is dat eiser de Albanese nationaliteit bezit. Burgers van Albanië die houder zijn van een biometrisch paspoort zijn in beginsel niet visumplichtig voor een verblijf van maximaal drie maanden. Uit het dossier blijkt niet dat eiser zijn vrije termijn heeft overschreden.
4. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat eiser zijn vrije termijn heeft overschreden. Het dossier van eiser bevat namelijk een kopie van een pagina uit zijn paspoort waar een inreisstempel op staat. Uit deze stempel blijkt dat eiser op 25 augustus 2022 de Europese Unie is ingereisd. Eiser is voorts op 25 december 2023, 16 maanden na het inreizen, gecontroleerd door de Koninklijke Marechaussee. Op dat moment was de vrije termijn reeds 13 maanden verstreken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister het terugkeerbesluit aan eiser mocht uitvaardigen. De stelling van eiser dat niet kan worden vastgesteld of de inreisstempel de enige stempel is in zijn paspoort omdat het dossier slechts een kopie bevat van één pagina van zijn paspoort en de rest van de pagina’s ontbreekt, maakt het bovenstaande oordeel van de rechtbank niet anders. Eiser had namelijk zijn standpunt kunnen onderbouwen door zijn hele paspoort over te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.