Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:18613
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,311 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.9037
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , [V-Nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
1.1.
Met het besluit van 21 maart 2023 heeft de minister de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingewilligd en besloten dat er geen dwangsom verschuldigd is aan eiser.
1.2.
Eiser heeft tegen dit besluit, voor zover dat ziet op de dwangsom, beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 29 april 2025 aan de orde gesteld. Geen van partijen is verschenen. Partijen hadden zich van tevoren afgemeld.
Beoordeling
2.1.
Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het besluit om geen dwangsom toe te kennen in rechte stand kan houden.
2.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. In de uitspraak van 28 november 2022 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, de minister opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak met de algemene asielprocedure aan te vangen en binnen acht weken na die aanvang een besluit op de aanvraag bekend te maken. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-. Vervolgens heeft de minister, met het besluit van 21 maart 2023, de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingewilligd en besloten dat er geen dwangsom verschuldigd is aan eiser.
4. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de minister zich niet heeft gehouden aan bovengenoemde uitspraak en zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen dwangsom verschuldigd is. De eerste termijn van acht weken begon te lopen op 29 november 2022 waardoor de minister uiterlijk op 23 januari 2023 had moeten starten met de asielprocedure. De minister is pas gestart met de asielprocedure op
17 maart 2023. De minister is dus een dwangsom van € 100,- per dag verschuldigd over de periode van 24 januari 2023 tot en met 17 maart 2023. Dit zijn 53 dagen. De tweede termijn van acht weken is gaan lopen op 24 januari 2023. Op grond van de tweede termijn van acht weken had de minister vervolgens uiterlijk op 20 maart 2023 een beslissing moeten nemen op de asielaanvraag van eiser. De beslissing is echter op 21 maart 2023 gegeven en daarmee een dag te laat. In totaal is dan ook een bedrag van € 5.400,- verschuldigd aan eiser als verbeurde dwangsom (54 dagen).
Conclusie
5.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het ziet op de dwangsom. De rechtbank zal daarnaast zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat verweerder een dwangsom van € 5.400,- aan eiser moet betalen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 453,50.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 maart 2023 voor zover daarin is beslist dat aan eiser geen dwangsom is verschuldigd;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 5.400,- moet betalen; en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummer: NL22.19021.