Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:18590
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
3,822 tokens
Inleiding
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/685206 / KG ZA 25-443
Vonnis in kort geding van 9 juli 2025
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. D.E. Oud te Krommenie, gemeente Zaanstad,
tegen:
[gedaagde]
te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. J.M. Krommendijk te Zoetermeer.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de door de vader overgelegde producties (logboek en appwisseling);
- de door de moeder overgelegde producties (reactie op logboek met aanvullend appbericht);
- de op 24 juni 2025 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] .
2.2.
De vader en de moeder oefenen samen het gezag uit over de kinderen.
2.3
De kinderen wonen bij de moeder.
2.4
Bij beschikking van 13 maart 2023 van deze rechtbank is een opbouwende zorgregeling bepaald, inhoudende dat de vader de kinderen zal zien:
- in de eerste twee maanden na deze beschikking:
- in de oneven weken iedere woensdag uit school tot 17:00 uur, waarbij de vader de kinderen van school zal ophalen en weer terug zal brengen bij de moeder;
- in de even weken iedere zaterdag van 11:00 uur tot 17:00 uur, waarbij de vader kinderen zal ophalen en weer zal terugbrengen bij de moeder;
- de twee maanden daaropvolgend:
- in de oneven weken iedere woensdag uit school tot 17:00 uur, waarbij de vader de kinderen van school zal ophalen en weer terug zal brengen bij de moeder;
- in de even weken iedere zaterdag van 11:00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur, waarbij de vader kinderen zal ophalen en weer zal terugbrengen bij de moeder;
- na deze opbouw:
- - in de even weken:
- op de vrijdag waarop de vader niet werkt van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 17:00 uur, waarbij de vader de kinderen ophaalt uit school en weer terugbrengt bij de moeder;
- op de vrijdag waarop hij wel werkt van zaterdagochtend 11:00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur, waarbij de vader de kinderen haalt en brengt;
- - in de oneven weken:
- op woensdagmiddag uit school tot 17:00 uur, waarbij hij de kinderen ophaalt uit school en weer terugbrengt bij de moeder;
- waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.
Geschil
3.1.
De vader vordert – zakelijk weergegeven – de moeder te veroordelen tot het nakomen van de beschikking van 13 maart 2023 met betrekking tot de bepaalde zorgregeling, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of dagdeel dat de moeder hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,- en om de proceskosten tussen partijen te compenseren.
3.2.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. Bij beschikking van deze rechtbank van 13 maart 2023 is door deze rechtbank een zorgregeling vastgesteld en zijn partijen doorverwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan een hulpverleningstraject. Dit traject is nooit van start gegaan omdat de moeder het aanmeldingsformulier niet heeft ingevuld en toegestuurd. Datzelfde geldt voor een latere doorverwijzing van Veilig Thuis naar [instelling] . De moeder frustreert de omgang al geruime tijd structureel. Zij geeft de kinderen vaak niet mee op de afgesproken momenten, waardoor de vader de kinderen slechts sporadisch ziet. De vader heeft inmiddels aangifte gedaan wegens het onttrekken van de kinderen aan het gezag. De vader heeft sterk het vermoeden dat de moeder haar invloed uitoefent op de kinderen, waarbij zij de kinderen aanpraat om niet naar hem toe te gaan. Zo is in een eerder onderzoek van Veilig Thuis aan zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] gevraagd wat de reden is dat zij niet naar hun vader willen, waarop zij beiden "weet ik niet" als antwoord zouden hebben gegeven.
De moeder en haar moeder bedreigen de vader, in nabijheid van de kinderen, dat zij hem “kapot zullen maken” en zullen pogen de vader zijn baan bij de politie te doen verliezen door valse aangiftes te doen van kindermishandeling door de vader. Nu inmiddels meerdere omgangsmomenten zijn vervallen, dreigt de relatie tussen de vader en de kinderen te verzwakken.
3.3.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Beoordeling
4.1.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling moet worden nageleefd. Het moet immers in het belang van de kinderen worden geacht dat zij contact hebben met beide ouders. Dit kan echter anders zijn indien nadien feiten zijn voorgevallen die maken dat de zorgregeling niet (meer) in het belang van de kinderen moet worden geacht.
4.2.
De moeder heeft in haar conclusie van antwoord samengevat het volgende naar voren gebracht. Het is volgens de moeder niet juist dat zij heeft geweigerd om de doorverwijzing van Veilig Thuis naar [instelling] te ondertekenen. Dit proces loopt nog en partijen staan op de wachtlijst en zijn waarschijnlijk in augustus 2025 aan de beurt. De vader heeft wel degelijk regelmatig contact met de kinderen. Hij ziet [minderjarige 2] om het weekend van zaterdag 11.00 uur tot het moment dat de vader haar dezelfde dag weer terugbrengt. Verder ziet de vader [minderjarige 2] om het weekend ook op de zondagen. De laatste twee keren van 10.00 uur tot 17:00 uur. [minderjarige 2] blijft niet slapen want dat wil zij niet en zij is daartoe niet te motiveren. Verder ziet de vader [minderjarige 2] op de woensdagen vanuit school tot 17.00 uur. [minderjarige 1] ziet de vader om de week op de woensdagen uit school samen met [minderjarige 2] tot 17.00 uur. Volgens de moeder is de regeling zoals opgenomen in de beschikking van 13 maart 2023 feitelijk door partijen nooit uitgevoerd. Dat is het gevolg van het feit dat partijen rekening houden met de wensen van de kinderen. Zoals uit die beschikking van de rechtbank blijkt, is er vooral bij [minderjarige 1] veel weerstand om vaker naar de vader te gaan. Beide kinderen willen ook niet bij de vader blijven slapen. Dit laatste komt doordat de vader in de nachtelijke uren voor de kinderen niet bereikbaar en beschikbaar is. De vader sluit zich dan helemaal af, doet oordoppen in en is niet bereikbaar en beschikbaar wanneer de kinderen daar op enig moment wel behoefte aan hebben. De moeder heeft van [minderjarige 1] begrepen dat [minderjarige 1] zich ondergeschikt voelt aan zijn zus [minderjarige 2] , omdat de vader haar als zijn lievelingskind behandelt. Beide kinderen zijn in hun aard en persoonlijkheid verschillend. Feitelijk moeten partijen nog beginnen aan een opbouw van de regeling zoals dat ook in de beschikking van 13 maart 2023 werd vermeld. Van belang is nu dat eerst de onderlinge verhouding tussen [minderjarige 1] en de vader moet worden verbeterd. Dat ligt toch vooral op het pad van de vader. De moeder zou ook graag zien dat hier de nodige ondersteuning en hulpverlening bij komt kijken en zij kan instemmen met de omgangsbegeleiding die de man bij [instelling] heeft gevraagd. Voor [minderjarige 2] zou een snellere opbouw conform de regeling kunnen plaatsvinden wanneer zij de beschikking krijgt over een mobiele telefoon. De moeder vindt het verder van belang dat partijen deelnemen aan een ouderschapsbemiddelingstraject om hun communicatie en verhouding te verbeteren. De moeder is van oordeel dat de vorderingen van de vader in kort geding dienen te worden afgewezen en dat partijen onder begeleiding moet gaan starten met de opbouw naar de regeling als werd opgenomen in de beschikking van 13 maart 2023. De begeleiding is vooral nodig daar waar het gaat om de communicatie tussen partijen, maar ook voor een eventuele monitoring van de contacten tussen [minderjarige 1] en de vader. Partijen zijn via Veilig Thuis aangemeld bij [instelling] . Mogelijk kan via hen één en ander worden opgepakt en begeleid.
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In de stukken van partijen is terloops een onderzoek van Veilig Thuis genoemd dat gestart is op 29 oktober 2024. Op de zitting is gebleken dat het om een melding van de school ging die zich ernstig zorgen over de kinderen maakt. Beide partijen hebben nagelaten om informatie daarover in het geding te brengen. Op de zitting heeft de vader kort een passage uit de brief van Veilig Thuis voorgelezen. Hieruit kwam naar voren dat school zich zorgen maakt over het welbevinden van de kinderen, omdat zij emotioneel en wat stiller zijn. [minderjarige 2] is steeds vaker verdrietig op school en zij geeft aan dat ouders vaak ruzie maken. Ook benoemt school dat [minderjarige 1] een eetstoornis heeft. De uitslag van het onderzoek van Veilig Thuis is dat partijen zijn doorverwezen naar [instelling] . Daar staan partijen inmiddels op de wachtlijst en vermoedelijk zijn zij in augustus van dit jaar aan de beurt. Voor de voorzieningenrechter is duidelijk dat er sprake is van een complexe situatie. [minderjarige 2] gaat eigenlijk wel bijna conform de regeling naar haar vader, maar met uitzondering van het overnachten. In het logboek van de vader staat beschreven dat hij in het weekend van zaterdag 19 april en zondag 20 april 2025 heeft geprobeerd [minderjarige 2] bij hem te laten slapen, maar dat [minderjarige 2] toen hysterisch werd en naar huis wilde rond 22.30 uur in de avond. Hij heeft [minderjarige 2] toen terug naar de moeder gebracht. [minderjarige 1] gaat alleen op de woensdagen om de week naar de vader. Bij [minderjarige 1] lijkt er sprake te zijn van weerstand, wat ook blijkt uit de brief die [minderjarige 1] aan de rechtbank heeft gestuurd, waarin hij zijn vader compleet afwijst. Op de zitting heeft de voorzieningenrechter haar zorgen hierover uitgesproken, omdat [minderjarige 1] in de brief enkel negatieve dingen zegt over de vader en enkel positieve dingen over de moeder. Partijen hebben ieder hun eigen verhaal over de ontstane situatie. De vader zegt dat het de schuld is van de moeder en de moeder zegt dat vader te weinig rekening houdt met wat de wens van de kinderen in deze is. De voorzieningenrechter heeft op de zitting de optie besproken om een bijzondere curator als bedoeld in artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek te benoemen. De voorzieningenrechter acht het in het belang van de kinderen dat zij een deskundige vertrouwenspersoon krijgen toegewezen die hun belangen kan behartigen en hen kan vertegenwoordigen. Dit gezien de complexe situatie en de onduidelijkheid over waar de weerstand van de kinderen vandaan komt en, nog belangrijker, hoe een en ander voor de toekomst veranderd kan worden. Beide partijen hebben aangeven dat ze heel graag terug willen naar de regeling zoals die door de rechtbank op 13 maart 2023 is vastgelegd en dat zij zich kunnen vinden in de benoeming van een bijzondere curator.
4.4.
Na de zitting is op verzoek van de voorzieningenrechter door de griffier contact opgenomen met mevrouw mr. drs. E. Jongkoen, en zij heeft zich bereid en in staat verklaard om in deze zaak als bijzondere curator op te treden. De voorzieningenrechter zal haar daarom benoemen als bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De bijzondere curator wordt ten behoeve van de nog door de advocaat van de man aanhangig te maken bodemprocedure benoemd en dient in die procedure te rapporteren. De advocaat van de man dient zo spoedig mogelijk de bodemzaak te starten en aan de bijzonder curator de het zaak- en rekestnummer daarvan te verstrekken, zodra dit bekend is. De bijzonder curator kan met haar werkzaamheden beginnen nadat zij van de advocaat van de vader het zaak- en rekestnummer heeft ontvangen.
Met de bijzondere curator kan bekeken worden wat er nodig is in het geval van [minderjarige 2] om ook te overnachten bij de vader en in het geval van [minderjarige 1] om ook in de weekenden naar de vader te gaan en bij hem te overnachten. Daarbij dient ook onderzocht te worden welke stappen hierin gezet kunnen worden. De bijzondere curator wordt verzocht om binnen acht weken haar verslag aan de rechtbank en aan partijen te sturen.
4.5
Omdat beide partijen wensen dat de regeling van 13 maart 2023 uiteindelijk wel zal worden nageleefd en ook voorzieningenrechter van oordeel is dat dat moet, zal de voorzieningenrechter de moeder veroordelen tot nakoming van de zorgregeling die is opgenomen in de beschikking van 13 maart 2023.
Dictum
De voorzieningenrechter:
5.1.
benoemt tot bijzondere curator voor de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] ;
mevrouw mr. drs. E. Jongkoen, [adres 1]
de bijzondere curator kan in dit kader contact opnemen met de ouders, die te bereiken zijn via hun advocaten op de volgende telefoonnummers en e-mailadressen:
[adres 2] (advocaat vader) en
[adres 3] (advocaat moeder);
5.2
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van dit vonnis aan de bijzondere curator te zenden;
5.3
verzoekt de bijzondere curator om ten behoeve van de bodemprocedure uiterlijk op 10 oktober 2025, schriftelijk verslag te doen aan de rechtbank en aan partijen. De bijzondere curator kan pas met haar werkzaamheden aanvangen nadat de advocaat van de man haar het zaak-en rekestnummer van de bodemzaak heeft doorgegeven;
5.4
veroordeelt de moeder tot nakoming van de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van deze rechtbank van 13 maart 2023;
5.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.7
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.F. de Nijs en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025.
IM