Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:18537
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,355 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.12615
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum] 2003, eiseres en verzoekster (hierna: eiseres), van Marokkaanse nationaliteit
(gemachtigde: mr. V. Sarkisian),
en
de minister van Asiel en Migratie
, de minister
(gemachtigde: mr. S. Kowsari).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)”.
De minister heeft deze aanvraag afgewezen met een besluit van 2 september 2022 (het primaire besluit). De minister is met het besluit van 23 februari 2024 bij deze afwijzing gebleven (het bestreden besluit).
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2025. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Referent is op de zitting verschenen. Tevens was [de persoon] aanwezig. Hij werkt bij de stichting [stichting] en helpt referent bij het begrijpen van de Nederlandse taal.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de aanvraag heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiseres beoogt met deze aanvraag verblijf bij haar vader, referent, in Nederland. Referent heeft ten behoeve van eiseres een mvv-aanvraag ingediend voor het uitoefenen van gezinsleven in het kader van artikel 8 van het EVRM. Referent is in 1999 vanuit Marokko naar Nederland gekomen. Hij heeft drie zussen die in Nederland wonen en allemaal een eigen gezin hebben. Het gezin van referent, dat bestaat uit echtgenote, een zoon en eiseres, heeft altijd in Marokko gewoond. Referent heeft in 2012 eerder een aanvraag ingediend voor alle gezinsleden. Deze aanvraag is destijds niet doorgezet vanwege het inburgeringsvereiste.
Het bestreden besluit
5. De minister heeft de aanvraag afgewezen. De minister heeft de aanvraag ontvangen op [datum 1] 2021. Eiseres had op dat moment al de achttienjarige leeftijd bereikt en was daarmee meerderjarig. De minister heeft de aanvraag daarom aangemerkt als een aanvraag voor het uitoefenen van familie- of gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft daarvoor niet het minderjarigenbeleid gehanteerd, maar het jongvolwassenebeleid. Eiseres voldoet niet aan het jongvolwassenebeleid, omdat niet is aangetoond of gebleken dat referent met eiseres samen als gezin leeft en omdat niet is aangetoond dat referent op de zorg van eiseres is aangewezen. Volgens de minister is er tussen eiseres en referent geen sprake van meer dan de gebruikelijke afhankelijkheid. De belangenafweging die daarop volgt heeft de minister laten uitvallen in het nadeel van eiseres. De minister heeft de aanvraag ook afgewezen, omdat niet is gebleken dat referent aan het middelenvereiste voldoet of dat hij daarvan had moeten worden vrijgesteld. De minister ziet geen aanleiding om het bestreden besluit in strijd te achten met het evenredigheidsbeginsel en ziet ook geen aanleiding om af te wijken van zijn beleid.
Moment van indiening aanvraag
6. Eiseres is het er niet mee eens dat de minister de aanvraag heeft aangemerkt als een aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM en in het verlengde daarvan heeft getoetst aan het jongvolwassenebeleid. Eiseres stelt dat de aanvraag op de post is gedaan op
16 september 2021 en dat de aanvraag voor [geboortedatum] 2021 (de datum waarop eiseres meerderjarig werd) bij de minister binnen had moeten zijn.
6.1.
Op grond van artikel 26 van de Vreemdelingenwet 2000 wordt de verblijfsvergunning, die van rechtswege rechtmatig verblijf inhoudt, verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Op grond van artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag in beginsel getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen.
6.2.
Uit deze bepalingen volgt dat in deze zaak de ontvangstdatum van de aanvraag bepalend is voor de ingangsdatum en het geldende recht. De minister heeft in dit geval een uitdraai overgelegd uit het systeem Indigo waaruit blijkt dat het poststuk is ontvangen op
[datum 1] 2021 en is verwerkt op [datum 2] 2021. Hiermee heeft de minister voldoende aannemelijk gemaakt dat de aanvraag niet eerder dan [datum 1] 2021 is ontvangen. De minister heeft niet de enveloppe van eiseres hoeven bewaren. Dit betekent dat de minister in dit geval terecht de aanvraag heeft getoetst aan het jongvolwassenebeleid.
6.3.
Eiseres en referent hebben vervolgens een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. In dit kader voeren zij aan dat de reden van de late aanvraag is gelegen in het afronden van een studie van eiseres. Daarnaast gaat het om een korte termijnoverschrijding van vier dagen en is het recht op gezinsleven een fundamenteel recht. Het gevolg van het bestreden besluit is dat eiseres zich nooit meer kan herenigen met haar vader.
6.4.
De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres en referent op het evenredigheidsbeginsel in het kader van het beroep op een verschoonbare termijnoverschrijding zoals referent ter zitting heeft toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarbij acht de rechtbank van belang dat referent heeft erkend ervan op de hoogte te zijn dat de aanvraag voor de achttiende verjaardag van eiseres moest worden ingediend en dat hij er zelf voor heeft gekozen om de aanvraag zeer kort voor deze dag met de reguliere post in te dienen. De gevolgen hiervan komen voor zijn rekening en risico. Eiseres heeft geen stukken ingediend of anderszins voldoende toegelicht dat het noodzakelijk was om haar studie af te ronden voordat de aanvraag kon worden ingediend. De rechtbank ziet daarom niet in waarom referent de aanvraag niet eerder kon indienen, zodat deze op tijd zou zijn ontvangen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij zich nooit meer kan herenigen met referent. Zo kan referent ervoor kiezen om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen of op afstand blijven uitoefenen zoals hij dat altijd gedaan heeft of een nieuwe aanvraag indienen op grond van artikel 8 van het EVRM en ervoor zorgen dat zij voldoen aan de verblijfsvoorwaarden. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
6.5.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit de aanvraag inhoudelijk heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM en dat eiseres niet heeft betwist dat geen sprake is van beschermingswaardig familie- en gezinsleven. Dit betekent dat de minister de aanvraag heeft kunnen afwijzen.
6.6.
Tot slot overweegt de rechtbank dat op de zitting met partijen is gesproken over een eventuele vrijstelling van het middelenvereiste. Eiseres vindt dat zij in bewijsnood verkeert om aan te tonen dat zij in aanmerking komt voor vrijstelling. De rechtbank volgt dit betoog niet, omdat eiseres haar stelling op geen enkele manier heeft onderbouwd. Zo heeft zij geen onderbouwing overgelegd van haar pogingen om aan documenten te komen die haar beroep op vrijstelling kunnen onderbouwen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de mvv-aanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.