Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:18485
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,200 tokens
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaak- / rolnummer: C/09/681733 / HA ZA 25-238
Vonnis van 24 september 2025
in de zaak van
[partij A] te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. W. Boeters,
tegen
1 [partij B sub 1] B.V. te [plaats 1] ,2. [partij B sub 2] te [woonplaats 2] ,
gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. O.J.W. Reijnders.
1Waar gaat de zaak over?
1.1.
Partijen zijn het niet eens over de hoogte van een tussen hen overeengekomen lening. [partij A] stelt een lening te zijn aangegaan van in totaal € 260.000, waarop verschillende verrekeningen zijn overeengekomen waardoor slechts een schuld van € 60.000 resteert. Vanwege voornoemde verrekeningen stelt [partij A] te veel rente te hebben betaald. Ook heeft [partij B] volgens [partij A] ten gunste van zichzelf ter zekerheid van een te hoog bedrag (€ 200.000) namens [partij A] een recht van hypotheek laten vestigen. [partij B] heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat [partij A] in totaal € 460.000 heeft geleend. Na verrekeningen resteert daarvan nog een bedrag van € 396.500. Het stond [partij B] daarom vrij de hiervoor genoemde hypotheek te vestigen. Over het rentedragende deel van de lening heeft [partij A] volgens [partij B] te weinig rente betaald, waardoor [partij A] nog € 18.217,76 aan achterstallige rente en boetes moet betalen.
1.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat partijen een lening van in totaal € 460.000 zijn overeengekomen. Er zijn echter voor een bedrag van in totaal € 100.000 verrekeningen overeengekomen. Er resteert daarom nog een lening ter hoogte van € 360.000. [partij A] heeft vanwege de verrekeningen niet te weinig rente betaald. Het stond [partij B] op zijn beurt vrij een recht van hypotheek te laten vestigen ter zekerheid van een bedrag van € 200.000.
Procesverloop
2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 5 maart 2025 met producties 1 tot en met 11,
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 4,
- het tussenvonnis van 21 mei 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie met productie 12,
- de akte overlegging aanvullende producties, tevens wijziging van eis in reconventie met producties 5 tot en met 8,
- de akte overlegging aanvullende producties van [partij A] met productie 13,
- de akte overlegging aanvullende producties van [partij B] met productie 9,
- de akte overlegging aanvullende producties van [partij B] met productie 10,
- de akte overlegging aanvullende producties tevens wijziging van eis in conventie met productie 14.
2.2.
Op 5 augustus 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van het verhandelde ter zitting.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
[partij A] is de neef van de echtgenote van de heer [partij B sub 2] . De heer [partij B sub 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [partij B sub 1] B.V.
3.2.
Op 7 mei 2020 hebben [partij A] en [partij B] een leningsovereenkomst gesloten voor een bedrag van € 200.000. In de leningsovereenkomst staat – voor zover relevant – opgenomen:
“Bestedingsdoel
De kredietfaciliteit dient uitsluitend te worden aangewend voor de aankoop en – indien nodig – het opknappen van onroerend goed.
[…]
Bijzondere bepaling
De helft van de lening, ter grootte van € 100.000,-, is als vordering ten gunste van dhr. [partij A] opgenomen in de boeken. Dit deel hoeft niet te worden afgelost en telt niet mee in de renteberekening.”
3.3.
[partij B] heeft op 12 mei 2020 een bedrag van € 200.000 aan [partij A] overgemaakt.
3.4.
Op 8 februari 2021 zijn [partij A] en [partij B] een notariële akte van geldlening met een positief/negatieve hypotheekverklaring overeengekomen (hierna: de notariële geldlening). De notariële geldlening vermeldt, voor zover relevant:
“Hoofdstuk 2. Leningsovereenkomst
1. Overeenkomst en bedrag van lening
De schuldenaar en de schuldeiser sluiten hierbij een leningsovereenkomst voor een bedrag van tweehonderdduizend euro (€ 200.000,00).
De schuldenaar heeft dit bedrag op dertien mei tweeduizend twintig als lening van de schuldeiser ontvangen. De schuldenaar erkent dit bedrag vanaf dat moment schuldig te zijn aan de schuldeiser.
[…]
2. Doel van de lening
Het bedrag van de lening dient te worden gebruikt voor de aankoop van onroerend goed.
[…]
4. Rente
Vaste rente
De schuldenaar moet over de lening een rente betalen. Deze rente wordt berekend op basis van een jaarrente van drie procent (3%).
De afspraken over de rente worden aangepast uiterlijk zeven mei tweeduizend vijfentwintig. Indien alsdan geen andere afspraken zijn gemaakt, wordt de wettelijke rente verschuldigd.
[…]
Hoofdstuk 3. Zekerheidsovereenkomst
[…]
1. Positieve zekerheidsverklaring
De zekerheidsgever is verplicht om op eerste verzoek van de zekerheidsnemer de hierna te vermelden zekerheidsrechten aan de zekerheidsnemer te verlenen tot meerdere zekerheid voor de betaling van:
- de lening;
- de rente die daarover verschuldigd is, ongeacht het aantal jaren waarover rente verschuldigd is;
[…]
Deze zekerheid wordt verleend tot ten hoogste tweehonderdduizend euro (€ 200.000,00) voor het bedrag van de lening en tot ten hoogste tachtigduizend euro (€ 80.000,00) voor rente, boete en kosten samen, dus totaal ten hoogste tweehonderdtachtigduizend euro (€ 280.000,00).
- al wat de zekerheidsnemer heeft of krijgt te vorderen van de schuldenaar op grond van de hiervoor vermelde overeenkomsten, maar óók op andere gronden, onverschillig de oorzaak, en zowel nu als later;
[…]
2. Te verstrekken zekerheidsrechten
De zekerheidsgever heeft zich verplicht om zekerheid te verstrekken met een recht van hypotheek of pand ten behoeve van de zekerheidsnemer op:
- alle nu of in de toekomst aan de zekerheidsgever toebehorende registergoederen;
[…]
3. Huidig registergoed
De zekerheidsgever verklaart op dit moment bevoegd te zijn om zekerheid te verlenen op: het winkelpand met bovenwoning […] [adres 1] en […] [adres 2]
[…]
5. Onherroepelijke volmacht
De zekerheidsgever geeft onherroepelijk volmacht aan de zekerheidsnemer om de hiervoor vermelde zekerheden te realiseren. Uitdrukkelijk wordt de volmacht verleend voor het vestigen van rechten van hypotheek op het in artikel 3 van dit hoofdstuk omschreven registergoed […]
3.5.
Op dezelfde dag heeft [partij B] twee panden, te weten [adres 1] en [adres 2] te [plaats 2] (hierna: de panden), aan [partij A] geleverd. De leveringsakte vermeldt over de koopprijs en de waarde van de panden:
“Koopprijs
De koopprijs van het verkochte is: honderdvijfennegentigduizend (€ 195.000,00). Koper en verkoper hebben aan de meeverkochte roerende zaak een waarde toegekend groot vijfduizend euro (€ 5.000,00).
[…]
Fiscale verklaring
Ten slotte verzocht koper mij, notaris, namens hem aan de voet van deze akte opgave te doen van het bedrag van de verschuldigde overdrachtsbelasting.
Met betrekking tot het verkochte is per drie september tweeduizend twintig een waardeverklaring afgegeven door de heer [naam] , verbonden aan [bedrijfsnaam] , van tweehonderdvijfentwintigduizend euro (€ 225.000,00).
[…]”
3.6.
Op 29 november 2021 heeft [partij B] aan [partij A] een e-mail van [partij B] zijn accountant van diezelfde dag doorgestuurd. In de e-mail staat opgenomen:
“[…]
In overeenkomst van de lening aan [partij A] staat € 200.000 genoemd echter € 100.000 zou verrekend moeten worden met ontvangen bedragen van [partij A] en verrekende bedragen inzake de aankoop van panden.
[…]”
3.7.
[partij B] en een stichting waarvan [partij A] enig bestuurder is, zijn in Suriname in een juridische procedure verwikkeld geraakt. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 9 juni 2023 is ten overstaan van de kantonrechter in Suriname – voor zover relevant – verklaard:
“[kantonrechter]: Op 12 mei heeft KJ [ [partij B] ] een bedrag van € 200.000,- overgemaakt op de persoonlijke rekening van [ [partij A] ].
[ [partij B] ]: Dat is juist, € 100.000,- zou besteed worden aan de aflossing van de lening die ik bij [ [partij A] ] had. En dat overig deel betrof de aflossing van het saldo van de € 240.000,- ad € 41.000,- dat naar boven is afgerond, want de aflossing is later geschied dan is afgesproken. Ik zou uiterlijk op 31 december 2019 de totale koopsom moeten voldoen. Op 12 mei 2020 heb ik betaald en daarom heb ik het saldo van € 41.000,- afgerond naar € 45.000,-.
[…]
[ [partij B] ]: [ [partij A] ] is een neefje van mijn vrouw en zij wilde hem verder helpen met het opbouwen van zijn leven. […] Ik heb aan [ [partij A] ] € 200.000,- geleend, omdat ik was verhuisd en een pand had verkocht. […] Ik heb een leningsovereenkomst met [ [partij A] ] gesloten ter zake de € 200.000,- ten behoeve van de aankoop van het vastgoed. […] Mijn vrouw ging verder, zij wilde niet dat [ [partij A] ] zoveel rente bepaalde over de lening. Ik heb hem toen € 55.000,- kwijtgescholden. Mijn accountant heeft op een verklaring van mij naar [ [partij A] ] aangedrongen, waarin is vastgelegd dat ik aan [ [partij A] ] de volle € 200.000,- heb gegeven en dat dit zal worden gebruikt voor de aankoop van vastgoed. Die € 45.000,-, dat ik zou hebben betaald aan hem, betreft het openstaande saldo voor de aankoop van de twee panden in Suriname […].
[Kantonrechter]: Die hele € 100.000,- is dus een verrekening?
[ [partij B] ]: Die € 45.000,- was bedoeld voor de aflossing van de twee panden in Suriname die ik van [ [partij A] ] heb gekocht.
Geschil
In conventie
4.1.
[partij A] vordert, na wijziging van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- te verklaren voor recht dat gedaagden verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de correctie van de hypothecaire inschrijving voor het geleende bedrag bij de notaris naar een bedrag van € 100.000;
- gedaagden te veroordelen in een dwangsom van € 500 per dag met een maximum van € 100.000 voor elke dag waarop zij na het wijzen van dit vonnis niet meewerken aan aanpassing van de hypothecaire inschrijving bij de notaris;
- te verklaren voor recht dat met de € 200.000 is ingelost middels verrekening en kwijtschelding;
- te verklaren voor recht dat de door eiser betaalde rentebedragen in mindering kunnen strekken op de lening van € 60.000 van gedaagde;
- gedaagden te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen het salaris van de advocaat van eiser en de nakosten.
4.2.
[partij B] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [partij A] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
In reconventie
4.3.
[partij B] vordert, na wijziging van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- te verklaren voor recht dat partijen voor het registergoed plaatselijk bekend [adres 1] en [adres 2] te [plaats 2] een koopsom van € 400.000 zijn overeengekomen;
- te verklaren voor recht dat naast de in een notariële akte opgenomen geldlening ad € 200.000 tevens en bedrag van € 200.000 door gedaagde aan eisers is schuldig gebleven uit hoofde van lening;
- te verklaren voor recht dat op 20 oktober 2021 een onderhandse geldlening ad € 60.000 is verstrekt door eisers aan gedaagde;
- te verklaren voor recht dat de totale vordering van eisers op gedaagde per 30 april 2025 een bedrag ad € 414.717,76, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan [partij B] en/of [partij B sub 1] , omvat;
- gedaagde te veroordelen aan [partij B sub 1] B.V. te voldoen een bedrag van € 18.217,76, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, althans een door U.E.A. Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
- gedaagde te veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten en salaris advocaat daaronder begrepen.
4.4.
[partij A] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [partij B] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
Beoordeling
In conventie en reconventie
5.1.
[partij A] en [partij B] zijn het oneens over de vraag voor welk bedrag [partij A] geld van [partij B] heeft geleend. In conventie wordt deze vraag aan de orde gesteld omdat [partij A] zich op het standpunt stelt dat er ter zekerheid van een te hoog bedrag ten gunste van [partij B] een recht van hypoheek is gevestigd. In reconventie vordert [partij B] onder meer om de hoogte van de precieze schuld van [partij A] vast te stellen. Vanwege de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, wordt de beoordeling daarvan grotendeels gezamenlijk besproken.
Procedure in Suriname
5.2.
Vooraf merkt de rechtbank op dat in Suriname een procedure loopt tussen [partij B] en een stichting waarvan [partij A] de enig bestuurder is. Naar de rechtbank begrijpt is er bij de Surinaamse rechter een bodem- en kortgedingprocedure gevoerd. De hoofdvraag in die procedure betrof of het restant van de koopprijs voor in Suriname gelegen registergoed door [partij B] aan de stichting is voldaan. De vordering tot betaling van het restant van de koopprijs vormt ook deel van het debat in de onderhavige procedure, met name de vraag of deze vordering met vorderingen van [partij B] op [partij A] zou zijn verrekend. In de Surinaamse procedure is door [partij A] hoger beroep ingesteld.
5.3.
Geen van de partijen heeft een verzoek gedaan om deze procedure in afwachting van de hogerberoepsprocedure in Suriname aan te houden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om tot aanhouding te beslissen, nu in de Nederlandse procedure – tussen [partij B] en [partij A] in persoon – de vaststelling van de gehele schuldpositie ten opzichte van elkaar voorligt. Die schuldpositie wordt bepaald door de tussen partijen gesloten leningsovereenkomst(en). Deze leningsovereenkomst(en) worden beheerst door Nederlands recht en deze rechtbank is bevoegd van geschillen die daaruit voortvloeien kennis te nemen. Hoewel een eventuele verrekening van de resterende koopsom voor Surinaams registergoed bij de bepaling van de onderlinge schuld een rol kan spelen, vormt dat slechts een deel van het onderhavige geschil en hebben partijen belang bij een oordeel over de volledige schuldpositie. Stellingen in de Surinaamse procedure kunnen in het kader van onderhavige procedure uiteraard relevant zijn. Daarnaar is door partijen ook verwezen.
Volgorde van bespreking
5.4.
Tussen partijen staat vast dat [partij A] twee panden in [plaats 2] van [partij B] heeft gekocht. Omdat de vordering tot betaling van de koopprijs is omgezet in een lening, is de hoogte van de koopprijs van belang voor de vraag naar de hoogte van de schuld van [partij A] aan [partij B] . Over de koopprijs van de panden bestaat tussen partijen echter verschil van mening. De rechtbank zal daarom eerst de overeengekomen koopprijs bespreken. Vervolgens zal worden besproken of en welke verrekeningen op de schuld van [partij A] aan [partij B] zijn overeengekomen. Tot slot worden op basis van deze beoordeling het lot van de vorderingen in conventie en reconventie besproken.
De koopprijs van de panden in [plaats 2] bedroeg € 400.000
5.5.
[partij B] heeft gesteld dat partijen een koopprijs van € 400.000 overeen zijn gekomen. [partij A] heeft dat betwist, en onder verwijzing naar de in de leveringsakte opgenomen koopprijs van € 200.000 en de waardeverklaring in diezelfde akte van tevens € 200.000 betoogd dat partijen een koopprijs van € 200.000 zijn overeengekomen. De betwisting van [partij A] is echter in het licht van wat [partij B] naar voren heeft gebracht onvoldoende onderbouwd. Zo heeft [partij B] in reactie op de verwijzing van [partij A] naar de leveringsakte opgemerkt dat de panden slechts gedeeltelijk zouden zijn getaxeerd (slechts de benedenverdieping) zodat een deel van de koopprijs onderhands zou kunnen worden gefinancierd. Over het onderhandse deel van de lening hoefde [partij A] geen rente te betalen. [partij B] heeft ter nadere onderbouwing Whatsappcorrespondentie met [partij A] overgelegd waarin [partij B] , met toelichting van de waardeberekening, aan [partij A] een koopprijs van € 400.000 voorstelt. Ook heeft [partij B] een foto van een handgeschreven gespreksverslag van een bespreking tussen [partij B] en [partij A] in september 2021 in Suriname overgelegd. In het gespreksverslag staat een overzicht van de leningen, verrekeningen en afbetalingen van [partij A] opgenomen. In dat overzicht staat zowel het notariële alsook het door [partij B] gestelde onderhandse leningsdeel van € 200.000 vermeld. Op de foto is te zien dat het gespreksverslag, zoals [partij A] ook niet heeft betwist, ter fotografering door [partij A] op de tafel wordt vastgehouden. Eveneens heeft [partij B] naar voren gebracht dat de panden (in 2021) een WOZ-waarde hadden van ruim € 427.000, wat volgens [partij B] een koopprijs van € 200.000 ongeloofwaardig maakt. [partij A] heeft in reactie op de stellingen van [partij B] nagelaten voldoende toe te lichten waarom [partij B] per Whatsapp een koopprijs zou hebben voorgesteld van € 400.000, maar de koopprijs volgens hem – ondanks de aanzienlijk hogere WOZ-waarde – meer dan 50% lager zou zijn uitgevallen. Daar komt bij dat [partij A] over de bespreking van september 2021 in Suriname slechts heeft opgemerkt dat hij zich het plaatsvinden van de bespreking kan herinneren, maar hij de inhoud van de bespreking – vanwege het nuttigen van alcohol tijdens de bespreking – niet meer voor de geest kan halen. Een inhoudelijke reactie op wat in het gespreksverslag staat opgenomen heeft [partij A] niet gegeven.
5.6.
Daarbij is ook relevant dat tussen partijen niet in geschil is dat zij op 20 oktober 2021 schriftelijk een aanvullende lening van € 60.000 zijn overeengekomen. Deze aanvullende lening wordt ook genoemd in het gespreksverslag van de bespreking van september 2021 en ondersteunt daarmee de juistheid van de in het gespreksverslag opgenomen informatie.
5.7.
Gezien de inhoud van het gespreksverslag tezamen met de hiervoor genoemde Whatsappcorrespondentie en de aanzienlijk hogere WOZ-waarde van de panden, is door [partij A] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat partijen een koopprijs van € 400.000 zijn overeenkomen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat partijen voor de panden een koopprijs van € 400.000 hebben afgesproken in de vorm van een geldlening. Deze geldlening bestaat uit een notarieel deel van € 200.000, zoals vastgelegd in de akte van geldlening van 8 februari 2021, en een onderhands deel van ook € 200.000.
[partij B] heeft geen misbruik gemaakt van een door [partij A] aan hem verstrekte volmacht
5.8.
De rechtbank merkt op dat [partij A] heeft aangevoerd dat de notariële akte van geldlening op basis van een volmacht van [partij A] aan [partij B] tot stand zou zijn gekomen, en [partij B] van de positie als gevolmachtigde misbruik heeft gemaakt door in de notariële akte een bedrag van € 200.000 op te nemen. [partij B] heeft daar echter terecht tegenin gebracht dat dat niet juist is en uit de akte van geldlening zelf blijkt dat [partij A] in persoon voor de notaris is verschenen en de notaris de inhoud van de akte heeft toegelicht. De rechtbank gaat daarom aan dit verweer van [partij A] voorbij.
Partijen zijn verrekeningen op de lening overeengekomen
5.9.
Partijen zijn het erover eens dat er sprake is van verrekeningen die in mindering strekken op de schuld van [partij A] aan [partij B] . Over de hoogte van deze verrekeningen alsook de vraag of de verrekeningen in mindering strekken op het notariële (rente dragende) of onderhandse (niet rente dragende) deel van de lening, zijn partijen het niet eens.
Conclusie
5.22.
De rechtbank komt tot de conclusie dat [partij A] ter financiering van de panden in [plaats 2] een lening van € 400.000 is aangegaan met [partij B] . Deze lening is gedeeltelijk vastgelegd in de notariële akte van geldlening van 8 februari 2021 en voor het overige onderhands overeengekomen. Partijen zijn ook op 20 oktober 2021 een aanvullende lening overeengekomen ter hoogte van € 60.000.
5.23.
Partijen zijn verschillende verrekeningen op het notariële deel van de lening overeengekomen, te weten (i) een verrekening van € 45.000 ter betaling van het resterende deel van de koopprijs van onroerend goed in Suriname, en (ii) een verrekening van € 55.000 vanwege een toegezegde kwijtschelding door [partij B] .
In conventie:
De vordering tot correctie van de hypothecaire inschrijving wordt afgewezen
5.24.
De rechtbank zal de vordering tot correctie van de hypothecaire inschrijving afwijzen. Hoewel uit voorgaande beoordeling volgt dat van het notariële deel van de geldlening na verrekening slechts een bedrag van € 100.000 is overgebleven, is er daarbij ook sprake van een onderhands leningsdeel van € 200.000. Zoals in de akte van geldlening opgenomen, en waarop door [partij B] is gewezen, zijn partijen overeengekomen dat het recht van hypotheek ter zekerheid mag strekken van alle vorderingen die [partij B] op het moment van vestiging van het recht van hypotheek op [partij A] heeft. De totale schuld van [partij A] aan [partij B] bedroeg meer dan € 200.000, gezien het notariële en onderhandse deel van de lening en de aanvullende lening van € 60.000.
De gevorderde verklaringen voor recht worden ook afgewezen
5.25.
De rechtbank zal ook vorderingen 3 en 4 in conventie afwijzen, nu zij deze vorderingen zo begrijpt dat [partij A] vordert dat de rechtbank verklaart dat het notariële deel van de lening (het rentedragende deel van de lening) in zijn geheel is voldaan. Daarvan is gezien voorgaande geen sprake. [partij A] was gehouden de rente zoals hij ook heeft betaald aan [partij B] te voldoen, waardoor van enige verrekening van die betalingen geen sprake kan zijn. Indien vordering 3 overigens volgens [partij A] een andere strekking heeft dan zoals hiervoor vermeld, dan is de vordering onvoldoende begrijpelijk geformuleerd, en om die reden niet toewijsbaar.
In reconventie:
De gevorderde verklaringen voor recht worden deels toegewezen
5.26.
De gevorderde verklaring voor recht dat [partij B] en [partij A] een koopprijs van € 400.000 zijn overeengekomen voor het registergoed aan de [adres 1] en [adres 2] zal worden toegewezen.
5.27.
De gevorderde verklaring voor recht dat naast de in een notariële akte opgenomen geldlening van € 200.000, tevens een bedrag van € 200.000 door gedaagde aan eisers is schuldig gebleven uit hoofde van lening, kan niet worden toegewezen. Gezien de besproken verrekeningen is van het ‘schuldig blijven’ van de in de notariële akte genoemde € 200.000 immers geen sprake omdat daarvan nog slechts € 100.000 resteert.
5.28.
De gevorderde verklaring voor recht dat op 20 oktober 2021 een onderhandse geldlening van € 60.000 is verstrekt door eisers aan gedaagde, zal gezien voorgaande beoordeling worden toegewezen.
5.29.
De gevorderde verklaring voor recht dat de totale vordering van eisers op gedaagde per 30 april 2025 een bedrag van € 414.717,76 omvat, wordt toegewezen met dien verstande dat de totale schuld € 360.000 bedraagt en dus in de verklaring voor recht naar € 360.000 zal worden verwezen.
Van een achterstand in de rentebetalingen door [partij A] is niet gebleken
5.30.
Voor de door [partij B] gevorderde achterstallige rentebetalingen en boetes heeft voorgaande beoordeling het gevolg dat niet is komen vast te staan dat [partij A] te weinig rente heeft betaald. [partij A] heeft immers de overeengekomen rente betaald over een bedrag van € 100.000. Alleen over de notariële geldlening was rente verschuldigd, waardoor [partij A] de verschuldigde rente heeft voldaan. De rechtbank merkt hierbij op dat ook niet is gebleken dat [partij B] heeft geklaagd over te lage rentebetalingen. Van een achterstand in de rentebetalingen is aldus niet gebleken, waardoor deze vordering zal worden afgewezen.
In conventie en reconventie
[partij A] en [partij B] zullen hun eigen proceskosten dragen
5.31.
Gelet op de familiaire relatie tussen partijen en het feit dat beide partijen op punten in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten in conventie en reconventie te compenseren.
Dictum
De rechtbank
In conventie
6.1.
wijst de vorderingen van [partij A] af,
In reconventie
6.2.
verklaart voor recht dat partijen voor het registergoed plaatselijk bekend [adres 1] en [adres 2] te [plaats 2] een koopsom van € 400.000 zijn overeengekomen,
6.3.
verklaart voor recht dat op 20 oktober 2021 een onderhandse geldlening van € 60.000 is verstrekt door [partij B] aan [partij A] ,
6.4.
verklaart voor recht dat de totale vordering van [partij B] op [partij A] per 30 april 2025 een bedrag van € 360.000 omvat,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In conventie en reconventie
6.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.7.
verklaart dit vonnis, met uitzondering van 6.1, 6.5 en 6.6, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Hengeveld en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2025.
Beoordeling
5.10.
[partij A] heeft aangevoerd dat sprake is van drie verrekeningen van in totaal € 200.000, te weten (i) de betaling van de restant koopsom van registergoed in Suriname ter hoogte van € 45.000, (ii) een kwijtschelding door [partij B] van € 55.000, en (iii) een afbetaling van € 100.000 van een persoonlijke lening van [partij A] aan [partij B] . De gestelde verrekeningen worden hierna besproken.
[partij A] en [partij B] zijn verrekeningen van € 55.000 en € 45.000 overeengekomen
5.11.
[partij A] heeft aldus gesteld dat partijen verrekeningen van € 55.000 en € 45.000 zijn overeengekomen, bestaande uit de voldoening van de restant koopsom (ter hoogte van € 45.000) van onroerend goed in Suriname, en een kwijtschelding van € 55.000.
5.12.
Beide verrekeningen worden genoemd in het gespreksverslag van september 2021. Zij het dat de kwijtschelding voor een bedrag van € 21.000 in het verslag staat opgenomen. De verrekening die verband houdt met de voldoening van de restant koopsom van registergoed in Suriname is door [partij B] in deze procedure niet weersproken. Tussen partijen staat daarmee de verrekening van € 45.000 vast.
5.13.
Voor wat betreft de kwijtschelding heeft [partij B] betoogd dat deze kwijtschelding inderdaad is toegezegd, maar deze zou zijn vervallen omdat de kwijtschelding zag op te betalen rente. Deze rente is volgens [partij B] echter niet door [partij A] betaald. Van de kwijtschelding kan daarom volgens [partij B] geen sprake zijn. [partij A] heeft echter betwist dat deze kwijtschelding voorwaardelijk was. Hij heeft in dat kader gewezen op de door [partij B] gegeven verklaring in de Surinaamse procedure in het kader waarvan [partij B] heeft verklaard:
“[…] Ik heb een leningsovereenkomst met [ [partij A] ] gesloten ter zake de € 200.000,- ten behoeve van de aankoop van het vastgoed. […] Mijn vrouw ging verder, zij wilde niet dat [ [partij A] ] zoveel rente bepaalde over de lening. Ik heb hem toen € 55.000,- kwijtgescholden. […]”
5.14.
Gegeven de familiaire context waarin partijen afspraken hebben gemaakt en de gebrekkige verslaglegging daarvan, kan de rechtbank gezien de betwisting van [partij A] niet vaststellen dat van de kwijtschelding geen sprake meer is. De kwijtschelding van € 55.000 staat daarmee vast.
De verrekening van € 100.000 ter terugbetaling van een persoonlijke lening van [partij A] aan [partij B] kan niet worden vastgesteld
5.15.
[partij A] heeft ook gesteld dat een bedrag van € 100.000 in mindering moet worden gebracht op de schuld van [partij A] bij [partij B] in verband met het terugbetalen van een persoonlijke lening van [partij A] aan [partij B] . Het bestaan van deze lening is volgens [partij A] door [partij B] tevens erkend in de Surinaamse procedure. Ook heeft [partij A] erop gewezen dat in de leningsovereenkomst van 7 mei 2020 is genoemd dat de helft van het uitgeleende bedrag (€ 200.000) ter hoogte van € 100.000 ‘als vordering ten gunste van [partij A] in de boeken staat opgenomen’ en dat dit bedrag niet hoeft te worden afgelost en niet meetelt bij de renteberekening. Deze vordering zou volgens [partij A] zien op de terugbetaling van de lening. De leningsovereenkomst van 7 mei 2020 is later opnieuw vastgelegd in de notariële geldlening, waardoor de vordering die ten gunste van [partij A] ‘in de boeken staat opgenomen’ tevens in mindering zou moeten strekken op de notariële geldlening, aldus [partij A] . [partij A] wijst daarbij tevens op een e-mail van de accountant van [partij B] van 29 november 2021. In dit e-mailbericht, dat door [partij B] is doorgestuurd aan [partij A] , merkt de accountant op: “[i]n de overeenkomst van lening aan [ [partij A] ] staat € 200.000 genoemd echter € 100.000 zou verrekend moeten worden met ontvangen bedragen van [ [partij A] ] en verrekende bedragen inzake de aankoop van panden. […]”.
5.16.
[partij B] heeft betwist dat hij ooit geld zou hebben geleend van [partij A] . Ook heeft [partij B] toegelicht dat de genoemde verrekening van € 100.000 slechts zag op de oude afspraken onder de leningsovereenkomst van 7 mei 2020. Volgens [partij B] is pas na het sluiten van de leningsovereenkomst van 7 mei 2020 voor het eerst ter sprake gekomen dat [partij A] de twee panden in [plaats 2] van [partij B] zou kunnen kopen. Partijen hebben als gevolg daarvan nieuwe afspraken gemaakt. De vordering tot betaling van de koopprijs voor de panden zou immers ook worden omgezet in een lening, aldus [partij B] . De leningsovereenkomst van 7 mei 2020 is daarbij komen te vervallen omdat daarvoor de lening van 8 februari 2021 in de plaats is getreden. [partij B] heeft daarbij gewezen op het feit dat in de notariële geldlening wordt verwezen naar het op 13 mei 2020 door [partij B] aan [partij A] overgemaakte bedrag van € 200.000. Ook de leningsovereenkomst van 7 mei 2020 zag op diezelfde betaling, waardoor duidelijk is dat de notariële geldlening voor die overeenkomst in de plaats is gekomen. In de notariële geldlening is echter bewust geen ‘vordering ten gunste van [partij A] opgenomen’, dat was immers geen deel meer van de nieuwe afspraak, zo stelt [partij B] .
5.17.
Het onderbouwde standpunt van [partij B] dat er nieuwe afspraken zijn gemaakt, ingegeven door de verkoop van de panden in [plaats 2] , vindt steun in de akte van geldlening van 8 februari 2021 waarin naar dezelfde betaling (van € 200.000) wordt verwezen als de betaling waaraan de overeenkomst van 7 mei 2020 ten grondslag lag. In de notariële geldlening wordt van een vordering ten gunste van [partij A] inderdaad niet gesproken. Ook in het gespreksverslag van september 2021 ontbreekt een verwijzing naar deze verrekening. Onder die omstandigheden kan bij gebrek aan enige onderbouwing van het bestaan van een lening van [partij A] aan [partij B] niet komen vast te staan dat ter afbetaling van die lening een bedrag van € 100.000 in mindering moet worden gebracht op de schuld van [partij A] . De vermelding van een verrekening door de accountant van [partij B] in zijn e-mail van 29 november 2021 maakt dat niet anders omdat de accountant daarover opmerkt dat deze verrekening verband houdt met “ontvangen bedragen van [ [partij A] ] en verrekende bedragen inzake de aankoop van panden”. De genoemde verrekening wordt door de accountant niet in verband gebracht met de terugbetaling van een lening, maar lijkt te zien op de hiervoor besproken verrekeningen.
5.18.
De rechtbank merkt daarbij op dat los van een enkele verklaring van [partij B] in de Surinaamse procedure, [partij A] niet heeft gewezen op andere aanwijzingen in het dossier ter onderbouwing van het standpunt dat er voor meer dan € 100.000 verrekeningen overeen zouden zijn gekomen. [partij A] heeft in dit kader ook zelfs rente betaald over de (resterende) € 100.000 onder de notariële geldlening. Over de verklaring van [partij B] in de Surinaamse procedure heeft [partij B] nog opgemerkt dat de aankoop van de panden in [plaats 2] en de in dat kader nieuw gemaakte afspraken per 8 februari 2021 niet aan de Surinaamse rechter zijn voorgelegd. In de Surinaamse procedure lag immers slechts voor of de restant koopsom van registergoed in Suriname was voldaan. Aan de stellingen in de Surinaamse procedure over de vermeende afbetaling van een geldlening van [partij A] aan [partij B] moet daarom geen doorslaggevend gewicht worden toegekend, omdat daarover het debat voor de Surinaamse rechter niet volledig is gevoerd. Ook heeft [partij B] er daarbij op gewezen dat [partij A] tot aan zijn wijziging van eis, enkele dagen voor de zitting, uit is gegaan van een verrekening van in totaal € 100.000.