Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:18454
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
5,285 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:18454 text/xml public 2026-03-23T08:44:16 2025-10-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-09-25 NL25.17886 en NL25.17887 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18454 text/html public 2025-10-07T10:26:59 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:18454 Rechtbank Den Haag , 25-09-2025 / NL25.17886 en NL25.17887 Eiser is afkomstig uit Nigeria. Hij heeft om asiel gevraagd. Hij stelt dat hij biseksueel is en dat hij daardoor vreest voor problemen in Nigeria. Ook vreest hij voor problemen met het netwerk van mensenhandelaren dat hem uit Nigeria heeft gehaald. Hij stelt dat hij daarom als vluchteling moet worden aangemerkt, dan wel als persoon die bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verweerder gelooft eisers identiteit niet. Bovendien gelooft verweerder niet dat eiser biseksueel is. De problemen als gevolg van de biseksualiteit gelooft verweerder daarom ook niet. Daarnaast gelooft verweerder niet dat eiser problemen heeft ondervonden met de mensensmokkelaars. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerders standpunt over eisers identiteit geen stand kan houden. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers relaas over de mensenhandel ondeugdelijk heeft beoordeeld. Het beroep is daarom gegrond. Verweerder heeft eisers gestelde biseksualiteit en de problemen als gevolg daarvan wel ongeloofwaardig mogen vinden. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL25.17886 (beroep) NL25.17887 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser), V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. J. Bravo Mougán) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D. Gigengack). Samenvatting 1. Eiser is afkomstig uit Nigeria. Hij heeft om asiel gevraagd. Hij stelt dat hij biseksueel is en dat hij daardoor vreest voor problemen in Nigeria. Ook vreest hij voor problemen met het netwerk van mensenhandelaren dat hem uit Nigeria heeft gehaald. Hij stelt dat hij daarom als vluchteling moet worden aangemerkt, dan wel als persoon die bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op ernstige schade. 1.1. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verweerder gelooft eisers identiteit niet. Bovendien gelooft verweerder niet dat eiser biseksueel is. De problemen als gevolg van de biseksualiteit gelooft verweerder daarom ook niet. Daarnaast gelooft verweerder niet dat eiser problemen heeft ondervonden met de mensensmokkelaars. 1.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerders standpunt over eisers identiteit geen stand kan houden. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers relaas over de mensenhandel ondeugdelijk heeft beoordeeld. Het beroep is daarom gegrond. Verweerder heeft eisers gestelde biseksualiteit en de problemen als gevolg daarvan wel ongeloofwaardig mogen vinden. 1.3. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 5 februari 2021 een asielaanvraag ingediend. Hij stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1978. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat eiser niet kan worden uitgezet totdat op het beroep is beslist. 2.2. Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en [tolk] als tolk. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is biseksueel. Daarom vreest hij in Nigeria problemen te ondervinden. Ook vreest hij voor problemen met het netwerk van mensenhandelaren dat hem uit Nigeria heeft gehaald. Het bestreden besluit 4. Volgens verweerder bestaat eisers relaas uit drie asielmotieven: Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Eisers problemen vanwege zijn biseksuele geaardheid. Eisers problemen met de mensensmokkelaar. 4.1. Verweerder acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eiser heeft immers geen identiteitsdocument meer. Ook heeft eiser tegenstrijdig verklaard over het bezitten van identificerende documenten. Daarnaast kan eiser, volgens verweerder, in grote lijnen niet geloofwaardig worden beschouwd, omdat hij eerder in Italië om asiel had gevraagd en daarbij vier verschillende aliassen had opgegeven. Daarbij was hij op 2 september 2019 door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers als MOB gemeld (MOB betekent: ‘met onbekende bestemming vertrokken’). Eiser had zich aan het toezicht onttrokken, zodat hij in het kader van de Dublinverordening niet teruggestuurd kon worden naar Italië. 4.2. Verweerder acht eisers problemen vanwege zijn biseksualiteit ook ongeloofwaardig. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. Daarnaast vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. 4.3. Verweerder acht eisers problemen met de mensensmokkelaar ook niet geloofwaardig. Hierover stelt verweerder zich wederom op het standpunt dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. Daarnaast vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verweerder vindt namelijk dat eisers verklaringen over zijn problemen met de mensensmokkelaars tegenstrijdig zijn met de informatie uit zijn aangifte bij de politie. Ook vindt verweerder eisers verklaringen over de mensensmokkelaar genaamd [naam 3] ongerijmd. 4.4. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 31, eerste lid, en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarbij heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar uitgevaardigd. Heeft verweerder zijn standpunt over eisers identiteit voldoende zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd? 5. In de beroepsfase heeft eiser een origineel Nigeriaans paspoort verkregen. De persoonsgegevens waar verweerder vanuit gaat, komen overeen met de persoonsgegevens op het paspoort. Eiser heeft verweerder verzocht om het paspoort te laten onderzoeken op echtheid. 5.1. De rechtbank heeft ter zitting gevraagd naar het standpunt van verweerder. Verweerder ziet geen aanleiding om het paspoort te onderzoeken. Verweerder gaat uit van de persoonsgegevens die eiser heeft opgegeven, maar gaat niet uit van de echtheid van het paspoort. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de conclusie in het bestreden besluit hoe dan ook stand houdt. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerders beoordeling van eisers identiteit geen stand kan houden. Gelet op verweerders uitgebreid gemotiveerde standpunt in het bestreden besluit dat eisers identiteit niet geloofwaardig is, valt niet in te zien waarom verweerder nu wel uitgaat van de opgegeven personalia zonder onderzoek naar het paspoort of een nadere motivering. Het bestreden besluit bevat daarom een gebrek. 6. De rechtbank zal, om het geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten, ook de rest van de gronden gericht tegen het bestreden besluit beoordelen. Heeft verweerder eisers biseksualiteit en de daaruit volgende problemen ongeloofwaardig mogen vinden? 7. Eiser heeft verweerders conclusie dat eisers verklaringen over zijn biseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn, gemotiveerd betwist. 7.1. De rechtbank volgt eisers standpunt niet. Verweerder heeft eisers verklaringen in lijn met Werkinstructie 2019/17 en 2024/6 beoordeeld.
Volledig
De rechtbank is van oordeel dat deze beoordeling deugdelijk is geweest en dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen ongeloofwaardig zijn. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 7.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen objectieve documenten heeft overgelegd en daarom heeft verweerder getoetst aan artikel 31, zesde lid, van de Vw conform stap 2b van het stappenplan in Werkinstructie 2024/6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit standpunt heeft kunnen innemen. Eiser heeft erop gewezen dat verweerder heeft nagelaten om de door hem overgelegde kopieën van een krantenartikel en een verklaring van de Nigeriaanse politie van 4 september 2014 te betrekken. Verweerder heeft er hierbij niet enkel op gewezen dat het kopieën betreffen en dus niet op echtheid konden worden onderzocht, maar hij heeft er ook op gewezen dat eiser over de beschikbaarheid van de originelen onsamenhangend heeft verklaard en dat de naam en datum van het krantenartikel ontbreken. 7.3. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eisers verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, van de Vw. De rechtbank acht dat standpunt voldoende gemotiveerd om de volgende redenen. 7.3.1. Verweerder heeft erop gewezen dat eisers verklaringen over de wijze van het ontdekken van zijn biseksualiteit ongerijmd zijn. Dat heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte gedaan. Zo heeft verweerder gewezen op de verklaring dat hij zijn biseksuele geaardheid heeft ontdekt doordat hij door [naam 1] gedwongen werd een drankje te drinken waar hij geil van werd. Dit is volgens verweerder ongerijmd, te meer omdat eiser heeft verklaard dat hij voor de gebeurtenis met [naam 1] nog nooit en op geen enkele wijze had nagedacht over de mogelijkheid dat hij ook op mannen zou kunnen vallen. Daarnaast geeft eiser hiermee geen inzicht in de ontwikkeling van zijn gevoelens en hoe het proces na deze ontdekking is verlopen. Eisers standpunt dat hij uitgebreid heeft uitgelegd hoe hij zijn seksuele geaardheid heeft ontdekt, volgt de rechtbank niet. Verweerder had van eiser mogen verwachten dat hij meer inzicht kon geven in hoe zijn gevoelens zich hebben ontwikkeld en hoe het proces na deze ontdekking is verlopen. 7.3.2. Ook vindt verweerder eisers verklaringen over zijn gevoelens aangaande het ontdekken van zijn biseksualiteit oppervlakkig en summier. Volgens verweerder geven eisers verklaringen enkel inzicht in zijn seksuele behoeften, maar maken deze niet inzichtelijk hoe eiser zich voelde tijdens de periode dat hij erachter kwam dat hij ook op mannen valt. De rechtbank volgt verweerder. Eisers standpunt dat hij wel degelijk inzicht heeft gegeven in zijn gevoelens, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft dit immers louter onderbouwd door te verwijzen naar passages uit het nader gehoor, waarin hij heeft verklaard over zijn seksuele behoeften. In Werkinstructie 2019/17 komt naar voren waarom verweerder van personen zoals eiser meer verwacht. Waarom dat in het geval van eiser niet zou mogen worden verwacht, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat hij niet is opgevoed binnen een omgeving waar hij heeft geleerd te spreken over gevoelens of uiting te geven aan gevoelens in woorden, is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft eisers verklaringen dan ook ontoereikend mogen vinden. 7.3.3. Over het ontstaan van eisers relatie met [naam 2] stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser ongerijmd en oppervlakkig heeft verklaard. De rechtbank volgt verweerder. Eisers standpunt dat hij uitgebreid heeft toegelicht hoe de relatie is ontstaan, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft eiser namelijk mogen tegenwerpen dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt wat hem intrinsiek en gevoelsmatig heeft doen besloten om voor [naam 2] te kiezen en vervolgens op hem af te stappen. Verweerder heeft er hierbij ook op mogen wijzen dat eiser, toen hem werd gevraagd wat hem aantrok in [naam 2] , alleen verklaard heeft over zijn manier van spreken en zijn goedgevormde figuur. Ook heeft verweerder het ongerijmd mogen vinden dat [naam 2] alleen heeft ingestemd met de relatie omdat eiser volhoudend was. 7.3.4. Met betrekking tot eisers gevoelens voor [naam 2] stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser oppervlakkig en summier heeft verklaard. De rechtbank volgt verweerder. In het bestreden besluit heeft verweerder immers verschillende voorbeelden gegeven van eisers oppervlakkige en summiere verklaringen. Op de vraag waaraan eiser merkte dat zijn gevoelens voor [naam 2] in de loop der tijd sterker werden, had eiser bijvoorbeeld enkel geantwoord dat hij vaker aan [naam 2] dacht. Gelet op de duur en de intensiteit van deze gestelde relatie, had verweerder van eiser mogen verwachten dat hij meer in detail kon verklaren over zijn gevoelens voor [naam 2] en hoe deze zich in de jaren hebben ontwikkeld. 7.3.5. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers verklaringen over zijn gesprekken en gedeelde interesses met [naam 2] ongerijmd en summier zijn. Ten aanzien van eisers gedeelde interesses met [naam 2] kan eiser alleen vertellen dat hij het uitgaan met [naam 2] leuk vond. Dat vindt verweerder summier. Lettend op het feit dat eiser vier jaar lang een relatie heeft gehad met [naam 2] , mag er van eiser verwacht worden dat hij in meer detail kan vertellen over zijn gedeelde interesses met hem. Voorts vindt verweerder het ongerijmd dat eiser nooit met [naam 2] heeft gesproken over de situatie van lhbti’ers in Nigeria. De rechtbank volgt verweerder. Dat er in Nigeria een stigma op lhbti heerst en dat zij daarom de relatie voor zichzelf moesten houden, zoals eiser heeft gesteld, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Waarom dat zou maken dat eiser en [naam 2] hier dan niet met elkaar over zouden spreken, ziet de rechtbank niet in. 7.3.6. Wat verweerder eiser ook tegenwerpt, is dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn gevoelens aangaande het uiten van zijn biseksualiteit in Nederland. Eisers verklaringen hierover geven immers enkel inzicht in zijn seksuele behoeften, maar maken niet inzichtelijk hoe eiser zich voelde en wat er door zijn hoofd ging toen hij in vrijheid zijn gestelde biseksualiteit kon uiten. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Dat verweerder volgens eiser onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser zijn gevoelens over het uiten van zijn geaardheid niet enkel mag relateren aan seksuele behoeften, volgt de rechtbank niet gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen. 7.3.7. Tot slot werpt verweerder eiser tegen dat zijn kennis van lhbti in Nederland algemeen is en summier. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser enkel kan verklaren dat Nederland regels en wetten heeft die lhbti’ers beschermen en dat hij heeft verklaard geen onderzoek te hebben gedaan naar lhbti in Nederland. Lettend op het feit dat eiser in Nederland internationale bescherming heeft aangevraagd vanwege zijn biseksualiteit, vindt verweerder dat eiser inzichtelijker had moeten maken wat hem heeft doen besluiten om naar Nederland te komen. Daarbij werpt verweerder eiser tegen dat hij tijdens het nader gehoor de naam niet meer wist van de lhbti-vereniging waar hij zich -zo hij stelt- bij heeft aangesloten. Voorts werpt verweerder eiser tegen dat hij enerzijds heeft verklaard het belangrijk te vinden om aangesloten te zijn bij een vereniging, maar anderzijds heeft verklaard dat hij sinds zijn inschrijving nooit de moeite heeft genomen om kennis te maken met de vereniging noch haar leden. Dat vindt verweerder ongerijmd, te meer omdat eiser heeft verklaard dat hij zich gesteund voelt door de lhbti-gemeenschap in Nederland. De rechtbank volgt verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het eiser ook mogen aanrekenen dat hij in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor opeens verklaart over zijn activiteiten voor de lhbti-vereniging, terwijl hij hierover niets vertelde tijdens het nader gehoor zelf.
Volledig
Eisers stelling dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij eiser dit element tegenwerpt, volgt de rechtbank niet. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft verweerder eisers relaas over de mensenhandel deugdelijk beoordeeld? 8. Eiser voert aan dat verweerder eisers relaas over de mensenhandel ondeugdelijk heeft beoordeeld. Volgens eiser heeft verweerder namelijk niet eisers aangifte bij de politie van 6 februari 2020 betrokken bij zijn beoordeling. Bij deze aangifte heeft eiser gedetailleerd en uitgebreid over de mensenhandel verklaard. 8.1. De rechtbank volgt eiser. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers aangifte zijn verklaringen uit het nader gehoor bevestigt, maar dat deze aangifte geen nieuwe informatie toevoegt. Gelet op de inhoud van de aangifte is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende op die aangifte is ingegaan. De aangifte bestaat uit zes pagina’s, die – naar verweerder ook zelf toegeeft – overeenkomen met eisers verklaringen uit het nader gehoor. Verweerder werpt ook geen innerlijke tegenstrijdigheden in de verklaringen in het nader gehoor tegen. Er staat bovendien wel degelijk meer informatie in de aangifte dan waarover eiser heeft verklaard tijdens het nader gehoor. Zo heeft eiser bijvoorbeeld meer details over [naam 3] gedeeld dan tegenover verweerder. Hoe verweerder de aangifte heeft onderzocht en waarom dit stuk niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen op dit punt, blijft zo onduidelijk. Gelet op het feit dat mensenhandel een ernstig strafbaar feit is in Nederland en dat medewerkers van de IND daarom volgens Werkinstructie 2024/1 alert moeten zijn op signalen van slachtoffers, had verweerder dieper op de inhoud van de aangifte in moeten gaan. De tegenstrijdigheden van eisers verklaringen met de aangifte van zijn oom en de ongerijmdheden van eisers verklaringen over [naam 3] heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet van zodanig gewicht kunnen achten om zelfstandig de conclusie te kunnen dragen dat eisers verklaringen over dit asielmotief niet geloofwaardig zijn. Hierin ziet de rechtbank dus ook geen reden voor verweerder om niet op de informatie uit eisers aangifte in te gaan. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook is het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank ziet geen reden om finaal te beslechten, omdat er te veel gebreken zitten in het bestreden besluit. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. 9.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken. 9.2. Nu de rechtbank deze beslissing neemt over eisers beroep, bestaat er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af. 9.3. Het beroep is gegrond en daarom krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 9 april 2025; - draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser. De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verordening (EU) 604/2013. Werkinstructie 2019/17 Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd. Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel). Immigratie-en Naturalisatiedienst.