Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:18446
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,709 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.9735 (beroep)
NL25.9736 (voorlopige voorziening)
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1997, van Marokkaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (eiser),
(gemachtigde: mr. A. Berends),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het hier niet mee eens. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte gebruik gemaakt van een standaardvoornemen, waarin niet is ingegaan op de individuele situatie van eiser. Verder voert eiser aan dat de minister, in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening en het (Unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel, onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de medische situatie van eiser en hiermee ook onvoldoende rekening heeft gehouden. De rechtbank is van oordeel dat de minister Duitsland terecht verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van eisers asielaanvraag en de asielaanvraag van eiser niet aan zich heeft hoeven trekken. Het beroep van eiser is daarom ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Inleiding
1. Met het besluit van 21 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de overdracht aan Duitsland te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft de zaken op 13 mei 2025 op zitting behandeld. Daarbij was de gemachtigde van de minister aanwezig. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze zaken het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Op 3 januari 2025 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland. Gebleken is dat eiser op 12 december 2022 en op 16 augustus 2024 in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend. Om deze reden heeft Nederland de autoriteiten van Duitsland op 24 januari 2025 verzocht om eiser terug te nemen. Op 27 januari 2025 zijn de Duitse autoriteiten hiermee akkoord gegaan.
Bestreden besluit
5. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Het standpunt van eiser
Standaardvoornemen
6. Eiser heeft allereerst gesteld dat de minister ten onrechte heeft volstaan met een standaardvoornemen. Hierin is de minister niet ingegaan op de individuele situatie van eiser, zoals de medische omstandigheden en zijn ervaringen in Duitsland, zoals verklaard in het aanmeldgehoor.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025. De Afdeling heeft bepaald dat de minister in het voornemen in elk geval alle voor zijn standpunt dragende overwegingen moet opnemen. Het is dan niet onzorgvuldig als de minister vervolgens pas in het bestreden besluit gedetailleerd ingaat op hetgeen eiser in zijn persoonlijke verklaringen en eventuele zienswijze naar voren heeft gebracht.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Eiser heeft verder gesteld dat de minister, in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening en het (Unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel, onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar en onvoldoende rekening heeft gehouden met de medische situatie van eiser. Bij de beoordeling in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening gaat het volgens eiser niet zozeer om een beoordeling van de algemene situatie in Duitsland en de medische voorzieningen aldaar, maar om de vraag wat de overdracht voor eiser persoonlijk betekent. Eiser heeft in het aanmeldgehoor verklaard dat hij in detentie in Duitsland niet de juiste medische zorg heeft gekregen. Deze ervaring, gecombineerd met de omstandigheid dat eiser in Nederland wel de juiste medicatie krijgt, betekent dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de overdracht aan Duitsland niet leidt tot een onevenredige hardheid.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 17 van de Dublinverordening volgt dat elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Uit Paragraaf C2/5 van de Vc volgt dat de minister terughoudend gebruik maakt van deze bevoegdheid. De bevoegdheid wordt onder andere gebruikt als sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
7.2.
Van bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank merkt daarbij allereerst op dat eiser zijn medische klachten onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt niet dat hij momenteel onder specialistische medische behandeling staat of deze nodig heeft, maar enkel dat hij bepaalde medicatie gebruikt. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij de medicatie die hij gebruikt niet in Duitsland zou kunnen krijgen of dat die alleen in Nederland beschikbaar zou zijn. Dat eiser eerder in detentie in Duitsland niet de juiste medische zorg zou hebben gekregen, heeft eiser evenmin onderbouwd. Tot slot zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is voor medische behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de medische voorzieningen in Duitsland, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, vergelijkbaar zijn met die van Nederland. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hier niet van kan worden uitgegaan. Hierin is eiser niet geslaagd.
7.3.
Tot slot heeft de gemachtigde van de minister ter zitting nog het arrest C.K. tegen Slovenië aangehaald. In dit arrest is geoordeeld dat ondanks dat kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet kan worden uitgesloten dat de overdracht zelf een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest zal vormen. Dit is het geval indien een persoon een ernstige mentale of lichamelijke aandoening heeft en de enkele overdracht een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van die persoon zou inhouden. Het is aan eiser om dit aan te tonen met objectieve medische gegevens.
7.4.
Uit de door eiser overgelegde stukken kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een dusdanig ernstige mentale of lichamelijke aandoening dat de enkele overdracht van eiser aan Duitsland een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling met zich meebrengt en leidt tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand.
7.5.
Gelet op het voorgaande, heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet aan zich hoeven trekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is. Het beroep is daarom ongegrond.
8.1.
Omdat de rechtbank uitspraak doet over het beroep van eiser en die ongegrond verklaart, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.
8.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.
Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2025:1642.
Vreemdelingencirculaire 2000
Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K. tegen Slovenië), onder 74.