Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:18439
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,084 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.13502
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1998, van Libanese nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en
de minister van Asiel en Migratie
, de minister
(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 16 januari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat volgens de minister Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
1.1
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De behandeling van het beroep is aangehouden in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen die door de rechtbank Den Bosch aan het Hof van Justitie zijn gesteld. Het Hof van Justitie heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 29 februari 2024.
1.2
Hangende het beroep is een voorlopige voorziening toegewezen strekkende dat eiser niet mag worden overgedragen aan Polen totdat op het beroep is beslist.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister opnieuw een besluit moet nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser een verzoek om internationale bescherming in Polen heeft ingediend op 24 juni 2022. Nederland heeft op 9 maart 2023 een verzoek om overname gedaan aan Polen, omdat de Poolse autoriteten verantwoordelijk zijn voor de asielaanvraag van eiser. De Poolse autoriteiten hebben dit verzoek op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening geaccepteerd.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 9 van de Dublinverordening
5. Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 9 van de Dublinverordening, omdat zijn partner niet bij de beoordeling is betrokken. Deze beroepsgrond behoeft geen bespreking meer, nu de relatie al één jaar geleden is geëindigd. Om diezelfde reden zal de rechtbank ook niet ingaan op eisers standpunt dat de minister ten onrechte geen melding heeft gemaakt van eisers partner in het claimverzoek.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser stelt dat in zijn geval niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel bij overdracht aan Polen. Op basis van het arrest van het Hof van Justitie van 29 februari 2024, had de minister onderzoek moeten doen naar de situatie in Polen op basis van wat hij heeft verklaard over zijn ervaringen tijdens zijn grensdetentie. Hij heeft zeven maanden vastgezeten in een detentiecentrum in Polen. Eiser heeft twee vonnissen van de rechtbank in Przemysl overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. Volgens eiser is hij zelf met een handgeschreven brief opgekomen tegen de aan hem opgelegde grensdetentie. Hij heeft daarbij geen hulp gekregen van een professionele rechtsbijstandverlener. Volgens eiser heeft hij daarom niet adequaat op kunnen treden tegen wat hem is overkomen in Polen. Eiser stelt ook dat door de detentieomstandigheden zijn mentale problemen en al bestaande huidaandoening zijn verergerd. Hij heeft een brief overgelegd van GZA Healthcare waaruit blijkt dat hij is gediagnostiseerd met een depressie en PTSS. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Polen opnieuw in grensdetentie zal worden gezet, aangezien dit volgens hem ook gebeurt met Dublinclaimanten. Eiser verwijst hiervoor naar het meest recente AIDA rapport over Polen. Volgens eiser kan niet van hem worden verwacht dat hij terugkeert naar Polen voordat hij is behandeld voor PTSS.
7. De minister stelt zich op het standpunt dat in het geval van eiser wel kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens de minister is sprake van gereguleerde overdracht en geen sprake van systematische detentie van Dublinterugkeerders in Polen. Uit het AIDA rapport waar eiser naar verwijst, blijkt volgens de minister niet dat de opvolgende aanvraag meteen niet in behandeling wordt genomen. Ook volgt daaruit dat eiser aanspraak kan maken op opvang. De minister verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 23 oktober 2024. Ten aanzien van de mentale problemen van eiser stelt de minister dat eiser ook kan worden behandeld in Polen.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ten aanzien van Polen in het geval van eiser wel kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft in het Dublingehoor verklaard over wat hem is overkomen in het detentiecentrum. Dit heeft hij nogmaals toegelicht in zijn zienswijze. De stelling van de minister dat uit jurisprudentie blijkt dat kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen, zonder daarbij nadrukkelijk de detentieomstandigheden waar eiser over heeft verklaard te noemen en mee te wegen, is onvoldoende. Dat de minister dit nadrukkelijk dient te motiveren, blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024. Deze uitspraak heeft de Afdeling gedaan naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van 29 februari 2024. De rechtbank stelt daarom vast dat dit een gebrek is in de besluitvorming.
8.1
In tegenstelling tot wat de minister op de zitting heeft voorgesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit gebrek in de besluitvorming te passeren. Daarvoor is het volgende van belang.
8.2
De minister heeft op zitting het standpunt ingenomen dat niet is gebleken dat de mentale problemen van eiser zijn te wijten aan zijn verblijf in het detentiecentrum in Polen. Verder is opgemerkt dat iedereen die om internationale bescherming verzoekt in Polen deze detentieomstandigheden meemaakt. Ondanks dat er een risico op detentie bestaat bij terugkeer naar Polen voor Dublinclaimanten, zijn er volgens de minister geen aanwijzingen dat dit op systematische wijze gebeurt.
8.3
De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat er geen aanwijzingen zijn dat Dublinclaimanten systematisch in detentiecentra worden gezet bij terugkeer naar Polen. Eiser heeft op zitting echter verklaard dat hij in het detentiecentrum in Polen Dublinclaimanten heeft gesproken die net als hijzelf slecht werden behandeld. De minister heeft dit niet weersproken. Verder heeft eiser dus verklaard over wat hem is overkomen in het detentiecentrum in Polen. Zoals gezegd is de minister daar in het bestreden besluit onvoldoende kenbaar op ingegaan. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit gebrek ook niet heeft gerepareerd met het verweerschrift; ook daarin wordt namelijk niet kenbaar ingegaan op dit punt.
8.4
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister de mentale problemen die eiser ondervindt ook onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming. De minister heeft de mentale problemen niet betwist. De enkele stelling dat de mentale problemen van eiser volgens de minister niet acuut zijn, vindt de rechtbank in dit geval onvoldoende. Dit blijkt ook niet uit wat eiser heeft verklaard in het aanmeldgehoor, uit de zienswijze en uit de door eiser overgelegde medische stukken. In de brief van GZA Healthcare staat dat eiser sinds mei 2023 onder behandeling staat. Er is sprake van recidiverende depressieve klachten en een (complexe) PTTS. Eiser heeft onder meer herbelevingen/flashbacks en terugkerende nachtmerries over de traumatische gebeurtissen, met name over zijn ervaringen in Belarus/Polen en zijn gevangenschap in Polen. Gezien de beperkte behandelmogelijkheden is eiser verwezen naar Arq en staat hij op een wachtlijst. Op zitting heeft eiser verder toegelicht dat de behandeling binnen een aantal weken start. Ter overbrugging daarvan spreekt hij nog steeds één keer per week met de praktijkondersteuner, mevrouw [naam] , van GZA Healthcare. Ook daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om het gebrek in de besluitvorming te passeren.
9. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1/2 punt voor het indienen van een aanvullend beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 mei 2023;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van €2.267,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
ECLI:EU:C:2024:195.
NL23.13503.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Uit artikel 9 van de Dublinverordening volgt dat een lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van de verzoeker, wanneer het gezinslid van die verzoeker internationale bescherming geniet in die lidstaat.
ECLI:EU:C:2024:195, r.o. 65 en 78.
Post traumatische stress stoornis.
Asylum Information Database.
AIDA, 2023: Update June 2024, p. 36.
NL23.23798.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:3455, r.o. 4.2-4.3.1.
Expertisecentrum psychotrauma.