Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:18402
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,503 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.27108
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. F.L. Spoek),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor het verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij zijn vader, de heer [naam] .
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij zijn vader (referent). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 1 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 juni 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiser, K. Blom als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Wat ging er aan deze procedure vooraf?
3.1.
Referent heeft de Indiase nationaliteit en verblijft sinds eind maart 2023 in Nederland met een verblijfsvergunning als kennismigrant. Hij wilde ook zijn echtgenote en drie kinderen naar Nederland over laten komen, maar kwam in moeilijkheden toen hij merkte dat het paspoort van zijn oudste zoon, eiser, was verlopen. Op dat moment was eiser zeventien jaar oud. Met spoed is toen een nieuw paspoort voor eiser aangevraagd en dit paspoort arriveerde op 9 mei 2023, één dag na de achttiende verjaardag van eiser. Toen referent vervolgens de verblijfsaanvragen voor zijn gezin digitaal wilde indienen, bleek dit voor eiser vanwege zijn meerderjarige leeftijd niet meer te kunnen. De aanvragen van de echtgenoot en minderjarige kinderen van referent zijn wel toegewezen. Om deze reden heeft referent op 20 juni 2023 een mvv aangevraagd voor eiser voor verblijf bij hem op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser was toen net achttien jaar. Referent was op dat moment al in Nederland.
3.2.
De minister heeft in het bestreden besluit het jongvolwassenenbeleid toegepast op eiser. Op grond van dit beleid heeft de minister familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aangenomen tussen hem en zijn vader. In het bestreden besluit is een belangenafweging gemaakt waarbij het belang van de Nederlandse Staat naar mening van de minister zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser. Om die reden levert de weigering van de gevraagde mvv geen strijd op met artikel 8 van het EVRM. .
Beoordeling
4. Eiser voert aan dat de intensiteit van zijn familie- en gezinsleven, dat op grond van het jongvolwassenenbeleid is vastgesteld door de minister, kenbaar had moeten worden betrokken in de belangenafweging. Dat heeft de minister volgens eiser ten onrechte niet gedaan. De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt en is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2024, van oordeel dat de minister de omstandigheden die hebben geleid tot het toepassen van het jongvolwassenenbeleid, voldoende kenbaar in de belangenafweging heeft betrokken. De minister heeft onderkend dat eiser net achttien jaar was geworden ten tijde van de aanvraag van de mvv en dat hij met zijn ouders in gezinsverband heeft samengeleefd tot aan het vertrek van zijn vader naar Nederland. Daarnaast heeft de minister ook de mate waarin eiser zelfstandig is of kan worden geacht, betrokken bij de belangenafweging. Hiermee heeft de minister voldoende kenbaar de intensiteit van de gezinsband tussen eiser en zijn ouder(s) betrokken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. De rechtbank volgt eiser ook niet in het standpunt dat de minister het belang van eiser om in nabijheid van zijn minderjarige broers te leven, onvoldoende heeft betrokken. De minister heeft immers overwogen dat de twee minderjarige broers samen met hun moeder reeds in het bezit zijn gesteld van een reguliere verblijfsvergunning met als doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij referent, en dat zij op die grond in Nederland mogen verblijven. Dat de minderjarige kinderen Nederland weer zouden moeten verlaten omdat referent mogelijk kiest om terug te keren naar India om daar zijn gezinsleven met eiser en de rest van zijn gezin uit te oefenen, is een persoonlijke afweging van referent en zijn gezin. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank verder van oordeel dat de minister de asielgerelateerde aspecten die betrekking hebben op eiser persoonlijk, ook voldoende heeft betrokken in de belangenafweging. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat eiser de asielgerelateerde aspecten die op hem betrekking hebben, onvoldoende heeft onderbouwd. Hieruit blijkt dat de minister deze aspecten weliswaar heeft betrokken maar heeft aangemerkt als onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan dit volgen. De bewijslast hieromtrent ligt immers bij eiser en het enkel stellen van problemen die zien op discriminatie van moslims en daarbij verwijzen naar de Landeninformatie India van
2 december 2021, is in dat verband onvoldoende. Daarnaast overweegt de rechtbank dat, in tegenstelling tot wat eiser aanvoert, van een certain degree of hardship niet is gebleken, nu er geen sprake is van terugkeer naar eisers land van herkomst. Eiser heeft India immers nooit verlaten. Dit betekent dat de minister, anders dan eiser stelt, al zijn persoonlijke belangen in het kader van de belangenafweging voldoende gemotiveerd heeft betrokken.
7. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de minister niet ten onrechte het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid zwaarder heeft laten wegen dan het belang van eiser bij familie- of gezinsleven in Nederland. Eiser stelt dat dit niet het geval is omdat de minister te veel gewicht heeft toegekend aan het economisch belang van de Nederlandse Staat en dit belang te zwaar in het nadeel van eiser heeft laten wegen. Referent heeft immers een eigen inkomen als kennismigrant en dient daarmee de Nederlandse economie. De Nederlandse Staat heeft er daarom juist belang bij om de kennis van referent te behouden. Bovendien heeft ook eiser na het volgen van een studie Civil Engineering in de toekomst een grote kans op een goede baan in Nederland, waarmee hij na enige tijd eveneens zou bijdragen aan de Nederlandse economie. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat er minder zwaar gewicht toekomt aan het economisch belang van Nederland vanwege het inkomen dat referent als kennismigrant genereert maar dat ook andere aspecten daarbij nog een rol spelen zoals bijvoorbeeld de bescherming van de arbeidsmarkt en de uit de algemene middelen gefinancierde voorzieningen als onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat de minister daarmee voldoende heeft gemotiveerd in hoeverre het economisch belang van de Nederlandse Staat ten nadele van eiser meeweegt. De stelling dat wanneer een meerderjarig kind voldoet aan het jongvolwassenenbeleid, het zijn van jongvolwassene inhoudsloos lijkt te zijn in de weging van de belangen, volgt de rechtbank dan ook niet. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit een evenwichtige belangenafweging gemaakt. Dit betekent dat er geen strijd is met artikel 8 van het EVRM. Om die reden was de minister ook niet gehouden om nog eens afzonderlijk de belangen te beoordelen het kader van zijn beroep op het evenredigheidsbeginsel.
8. Omdat de minister een individuele beoordeling heeft gemaakt om vast te stellen dat familie- of gezinsleven bestaat tussen eiser en zijn vader als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, is die beoordeling in overeenstemming met de beoordeling die artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn voorschrijft. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
ECLI:NL:RVS:2024:2145.
Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.