Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:18373
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,117 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9006
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. F. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
1. Eiseres heeft op 17 november 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 6 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als ongegrond en bepaald dat eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of uitstel van vertrek krijgt. Het bestreden besluit geldt ook als een terugkeerbesluit. Eiseres moet terugkeren naar Nigeria. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2. Op 22 augustus 2025 heeft verweerder laten weten dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken en dat het verweerder niet is gebleken dat eiseres zich inmiddels weer heeft gemeld bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel of de Dienst Terugkeer en Vertrek. Verweerder heeft de rechtbank verzocht te beoordelen of nog sprake is van procesbelang bij het beroep in deze zaak.
3. Op 28 augustus 2025 heeft de gemachtigde van eiseres laten weten dat hij sinds enige tijd geen contact meer heeft met eiseres, dat niet kan worden vastgesteld waar eiseres verblijft, dat eiseres niet te bereiken is op de bij hem bekende telefoonnummers en dat hij daarom niet kan vaststellen of eiseres geen procesbelang meer heeft.
4. Desgevraagd heeft verweerder bij brief van 2 september 2025 laten weten dat hij geen gebruik wenst te maken van het recht ter zitting te worden gehoord. De gemachtigde van eiseres heeft niet laten weten dat hij/eiseres gebruik wenst te maken van dit recht.
5. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek op de zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek hierna gesloten. Bij brief van 8 september 2025 zijn partijen hierover geïnformeerd.
Beoordeling
6. Het COA heeft op 4 februari 2025 geregistreerd dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken. Een afdruk van deze registratie zit in het dossier.
7. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 8 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4282), geeft een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met diens gemachtigde daarmee te kennen dat die geen prijs meer stelt op de door die vreemdeling aangevraagde bescherming in Nederland. In dat geval heeft die vreemdeling geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van diens beroep.
8. De rechtbank stelt vast dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met haar gemachtigde. Gelet hierop en omdat eiseres zich ook niet opnieuw heeft gemeld bij verweerder, concludeert de rechtbank dat eiseres geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Niet is gebleken dat eiseres desondanks nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep.
9. De rechtbank zal het beroep van eiseres daarom niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van belang.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.