Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:18257
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,844 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37318
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het hiermee niet eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het terugkeerbesluit in stand kan blijven, omdat de tijdelijke bescherming van eiser met ingang van 4 maart 2025 is geëindigd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. De minister heeft aan eiser facultatieve tijdelijke bescherming verleend onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Bij brief van 29 januari 2024 heeft de minister eiser laten weten dat 4 maart 2024 de laatste dag is waarop hij recht heeft op tijdelijke bescherming en dat dit recht automatisch stopt na 4 maart 2024.
4. Op 4 juni 2025 heeft de minister eiser laten weten voornemens te zijn een terugkeerbesluit op te leggen. Eiser is in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Eiser heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
5. Bij bestreden besluit van 14 juli 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft eiser laten weten dat zijn recht op tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd en dat de tijdelijke bevriezingsmaatregel op 4 september 2025 stopt.
6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
7. De rechtbank doet uitspraak op het beroep zonder zitting.
Beoordeling
8. Eiser voert aan dat hij door de bevriezingsmaatregel tot 4 september 2025 rechtmatig in Nederland mag verblijven. Daardoor is het terugkeerbesluit volgens eiser voorbarig genomen. Bovendien is het terugkeerbesluit in strijd met artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het besluit vermeldt namelijk alleen dat eiser moet terugkeren naar het land van zijn nationaliteit en noemt niet het specifieke land van herkomst. Tot slot voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte zonder onderzoek te doen op het standpunt heeft gesteld dat eisers privéleven niet aan het opleggen van een terugkeerbesluit in de weg staat.
Het terugkeerbesluit
9. De beroepsgrond slaagt niet. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 19 december 2024 geoordeeld dat artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn zich ertegen verzet dat aan een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming een terugkeerbesluit wordt opgelegd voordat deze bescherming is geëindigd.
10. De facultatieve tijdelijke bescherming is per 4 maart 2024 geëindigd. De minister heeft het terugkeerbesluit genomen op 14 juli 2025.
11. Op 14 juli 2025 was alleen (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, een prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen.
12. Naar het oordeel van de rechtbank was de minister op 14 juli 2025 daarom bevoegd een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
Land vermelden in het terugkeerbesluit
13. De minister heeft in het terugkeerbesluit vermeld dat eiser moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft zoals vermeld bovenaan het besluit. De minister vermeldt bovenaan het besluit dat eiser de Nigeriaanse nationaliteit heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarmee voldoende duidelijk in het besluit vermeld naar welk land eiser moet terugkeren. Daardoor kan er geen onduidelijkheid bestaan over het land waarnaar eiser moet terugkeren. Eiser heeft niet betwist dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en/of dat Nigeria zijn land van herkomst is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het terugkeerbesluit te vernietigen.
Privéleven
14. De rechtbank volgt niet eisers stelling dat de minister ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar zijn privéleven. De rechtbank stelt vast dat eiser geen zienswijze heeft ingediend naar aanleiding van het voornemen van 4 juni 2025. Niet is gebleken dat eiser zijn gestelde privéleven op andere wijze in het kader van het terugkeerbesluit bij de minister kenbaar heeft gemaakt. In beroep stelt eiser dat hij privéleven heeft vanwege zijn werk in Nederland. Eiser heeft deze stelling niet concreet gemaakt of onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet gebleken dat sprake is van een zwaarwegend belang op grond waarvan de minister had moeten afwijken van de verplichting om een terugkeerbesluit op te leggen.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten- Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt en openbaar gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022.
Brief van de minister van 25 april 2024, Kamerstukken II, 36 394, nr. 24.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
Richtlijn 2008/115/EG.
C-290/24 (Kaduna en Abkez).
als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1366.
Zie ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17234.
Zie in dit kader ook het Terugkeerhandboek, (Aanbevelingen (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017), § 5.4, de beschikking van 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:544, § 47-48, en de uitspraken van zittingsplaatsen Arnhem (ECLI:NL:RBDHA:2025:16546, r.o. 5.3.),’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:RBDHA:2025:16397, r.o. 34) en Roermond (ECLI:NL:RBDHA:2025:17078, r.o. 10).
Vergelijk: de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155.