Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:18221
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,613 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40841
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. N.A.P. Heesterbeek),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
Bij besluit van 19 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 2 september 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser heeft zware grond 3b betwist. De zware grond 3c is niet betwist. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)1 volgt dat de minister bij de zware grond 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank oordeelt dat de zware grond onder 3b feitelijk juist en voldoende gemotiveerd is. Uit het dossier blijkt dat de minister in het besluit van 3 juli 2025 eisers verblijfsrecht heeft beëindigd. Op 5 juli 2025 is voornoemd besluit aan eiser uitgereikt en heeft hij geweigerd het uitreikingsblad te ondertekenen. In het besluit is vermeld dat eiser Nederland binnen een maand moet verlaten en dat hij anders kan worden uitgezet. Het was voor eiser duidelijk dat hij geen legaal verblijf in Nederland had en dat hij zich aan de vreemdelingenwetgeving diende te houden.
5. De zware gronden 3b en 3c zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen, zodat een risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan een lichter middel. Eiser had via familie aan geld kunnen komen en had daarmee zelfstandig zijn terugkeer willen regelen.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden die aan de maatregel
van bewaring ten grondslag zijn gelegd, volgt een risico op onttrekking aan het toezicht. In de maatregel is overwogen dat eiser de tijd heeft gehad om zelfstandig zijn terugkeer naar Roemenië had kunnen regelen, maar dat hij dit niet heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment
1. ECLI:NL:RVS:2020:829.
onrechtmatig was. Er is ook gesteld noch gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.2
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2 Zie HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 september 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.