Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:18197
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,343 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.3413 en NL25.3414
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam] , eiseres,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [v-nummer] ,
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [v-nummer]
mede namens eiseres haar minderjarige dochter:
[naam] ,
geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [v-nummer]
allen van Colombiaanse nationaliteit,
hierna samen: eisers
(gemachtigde: mr. A. Szirmai),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzingen van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzingen van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzingen van de asielaanvragen niet in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben, mede namens hun minderjarige dochter, op 19 mei 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 27 december 2024 deze aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eiseres werkte als sociaal leider met verschillende organisaties waar zij vrouwen hielp die slachtoffer waren van gewapende conflicten in Colombia, of slachtoffer waren van seksueel, fysiek en emotioneel geweld. Eiseres stimuleerde deze vrouwen om aangifte te doen tegen de daders. Eiseres heeft sindsdien telefonische bedreigingen en bedreigingen via tekstberichten ontvangen. Ook de gezinsleden van eiseres werden bedreigd. Hierop besloot eiseres aangifte te doen in maart 2020. Ook is eiseres met haar gezin een aantal keer verhuisd door de bedreigingen en is zij op afstand gaan werken. In april 2022 ontving eiseres een dreigpamflet afkomstig van de gewapende groepering Aguilas Negras. Toen heeft eiseres besloten om met eiser en dochter Colombia te verlaten.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser en dochter geen zelfstandige asielmotieven hebben en dat zij voor wat betreft hun asielaanvraag geheel afhankelijk zijn van het asielrelaas van eiseres.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de positie van eiseres als sociaal leider en
3. de problemen van eiseres vanwege haar werk als sociaal leider.
De minister gelooft het eerste relevante element maar zij acht de relevante elementen 2 en 3 ongeloofwaardig. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag terecht als ongegrond is afgewezen.
Herhaling zienswijze
5. De rechtbank overweegt allereerst dat de stelling van eisers in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eisers om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hen niet juist of toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eisers in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank verwijst hierbij naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Heeft de minister de positie van eiseres als sociaal leider in Colombia terecht ongeloofwaardig geacht?
6. Eisers voeren aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar positie als sociaal leider niet aannemelijk heeft gemaakt. In dit kader wijst eiseres op de brief van Comosoc, de website van Comosoc, de ontvangen dreigementen, de ontvangen dreigpamflet en de verklaringen die door haar zijn gegeven. Eiseres voert verder aan dat haar ten onrechte wordt tegengeworpen dat haar verklaringen over haar werkzaamheden ongerijmd zijn omdat eiseres niet 24 uur per dag telefonisch beschikbaar zou zijn. De minister heeft de beschikbaarheid van 24 uur per dag te letterlijk opgevat. Ook is ten onrechte tegengeworpen dat zij onvoldoende gedetailleerd heeft verklaard over haar rol als sociaal leider. Het feit dat eiseres tijdens het nader gehoor slechts drie werkcontacten zou hebben genoemd, is omdat haar werd gevraagd naar directe/vaste contacten. Eiseres had ook andere collega’s waar zij geen contact mee onderhield. Verder heeft de minister ten onrechte overwogen dat een sociaal leider een diploma moet hebben. In de aanvullende beroepsgronden wijst eiseres op het algemeen ambtsbericht van 27 juni 2024 en heeft zij een zelfgeschreven brief overgelegd ter onderbouwing van haar sociaal leiderschap.
6.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat er geen duidelijke definitie van een sociaal leider bestaat. In het algemeen ambtsbericht Colombia juni 2024 staat wel een definitie afkomstig van de ngo Indepaz, namelijk:
‘Een sociaal leider wordt gedefinieerd als een persoon die de rechten van het collectief verdedigt en een actie voor het algemeen welzijn ontwikkelt die erkend wordt in zijn of haar gemeenschap, organisatie of territorium. Alle sociale leiders worden beschouwd als mensenrechtenverdedigers. Voor deze rapporten [betreffende de moorden op sociale leiders en mensenrechtenverdedigers] wordt ook rekening gehouden met de definitie van een mensenrechtenverdediger van de Inter-Amerikaanse Commissie voor Mensenrechten [CIDH: Comisión Interamericana de Derechos Humanos] en met de verklaringen van de Verenigde Naties. De mensen die de vredesopbouw en de uitvoering van de akkoorden beheren en bevorderen zijn mensenrechtenverdedigers en sociale leiders’.
De rechtbank stelt vast dat Indepaz in de registratie van vermoorde ‘sociale leiders en mensenrechtenverdedigers’ onder andere personen noemt die zich inzetten voor milieu, LHBTIQ+-rechten, grondrechten, gemeenschappelijke belangen, belangen van de Afro-Colombiaanse en inheemse gemeenschappen, politieke activisten, vakbondsleiders en personen die zich inzetten voor het vredesproces in Colombia.
6.2.
Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister desgevraagd aangegeven dat er geen uitputtende voorwaarden bestaan om te worden aangemerkt als sociaal leider. Het gaat er volgens de gemachtigde van de minister met name om dat iemand zijn nek uitsteekt in de samenleving en dat iemand door anderen kenbaar als sociaal leider wordt beschouwd.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiseres in combinatie met de door haar overgelegde documenten er niet toe leiden dat zij aangemerkt moet worden als sociaal leider. Zoals hiervoor is aangegeven, bestaat er geen eenduidige definitie van een sociaal leider. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de voorgaande informatie wel af te leiden dat de twee belangrijkste kenmerken van een sociaal leider zijn dat iemand zich inzet voor mensenrechten en dat iemand door anderen als sociaal leider wordt beschouwd. De minister heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiseres niet aan deze kenmerken voldoet. De rechtbank acht hierbij van belang dat niet in geschil is dat eiseres werkzaam is geweest op het gebied van psychologie waarbij zij opkwam voor vrouwen die slachtoffer zijn van geweld en dat zij daarbij heeft samengewerkt met verschillende organisaties en stichtingen. Uit de verklaringen van eiseres volgt ook duidelijk dat er een grote groep vrouwen is geweest die haar heeft kunnen vinden bij het uitoefenen van haar werkzaamheden. Hieruit kan worden afgeleid dat eiseres zich heeft ingezet voor mensenrechten en dat zij door anderen ook werd beschouwd als iemand die opkwam voor mensenrechten. De rechtbank is verder met eisers van oordeel dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat de verklaringen van eiseres over haar 24-uurs beschikbaarheid ongerijmd zijn. Ook heeft de minister niet onderbouwd waarom een sociaal leider in het bezit zou moeten zijn van een diploma. Verder acht de rechtbank van belang dat uit het algemeen ambtsbericht Colombia volgt dat er zes miljoen mensen zichzelf in Colombia als sociaal leider beschouwden en dat de voormalig president van Colombia Ivan Duque heeft gesteld dat er zeven miljoen sociaal leiders in Colombia zijn, waarbij die inschatting als onderschatting wordt gezien. Hieruit leidt de rechtbank af dat anders dan de minister in het bestreden besluit heeft overwogen er een relatief grote groep sociale leiders in Colombia bestaat en dat de lat om als sociaal leider te worden aangemerkt niet al te hoog ligt. Gelet op al het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiseres toch niet als sociaal leider kan worden aangemerkt. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
8. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet als sociaal leider wordt beschouwd en waarom zij geen problemen zou ervaren als sociaal leider. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en mogelijkheid om zelf een beslissing te nemen.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:71, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor vier weken.
8.2.
Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Omdat er sprake is van samenhangende beroepen worden de zaken voor wat betreft de hoogte van de proceskosten beschouwd als één zaak. De kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,00 bij een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de bestreden besluiten van 27 december 2025;
draagt de minister op om nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen van eisers met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000
Zie de uitspraken van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2169) en 7 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1028).
Een ngo die jaarlijks bijhoudt hoeveel sociale leider en mensenrechtenverdedigers zijn vermoord.
Zie algemeen ambtsbericht Colombia juni 2024, pagina 15 en 16.
Zie algemeen ambtsbericht Colombia juni 2024, pagina 16.
Zie algemeen ambtsbericht Colombia juni 2024, pagina 15.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 28 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:636).