Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:18165
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
932 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.28142
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M. Grigorjan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis (de aanvraag).
Overwegingen
1. De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. Eiser heeft zijn aanvraag op 4 maart 2024 digitaal ingediend. De rechtbank gaat ervan uit dat de minister de aanvraag op diezelfde dag heeft ontvangen. De minister heeft de beslistermijn van 90 dagen met drie maanden verlengd. Dat maakt dat de minister uiterlijk op 2 september 20243 op de aanvraag diende te beslissen.
4. Het onderhavige beroep volgt op de ingebrekestelling van eiser van 2 september 2024. Toen eiser die ingebrekestelling indiende, was de beslistermijn nog niet verstreken. De
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ingebrekestelling was (en is nog steeds) prematuur. Dat maakt dat het beroep van eiser niet- ontvankelijk is.
5. De rechtbank geeft eiser mee om een eventueel nieuw beroep niet wederom te baseren op de ingebrekestelling van 2 september 2024, maar dat hij eerst een nieuwe ingebrekestelling indient bij de minister.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Al om die reden komt de rechtbank niet toe aan het vaststellen van een eventuele verbeurde bestuurlijke dwangsom.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van de Mortel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 augustus 2025
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.