Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:18101
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,284 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/5377
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. W.P.C. de Vries),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over eisers verzoek om vergoeding van dienstverleningskosten en een dwangsom in verband met de initiële afwijzing van zijn aanvraag voor een visum voor kort verblijf.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Met het besluit van 19 september 2023 heeft de minister afwijzend beslist op eisers aanvraag voor een visum voor kort verblijf. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift van 5 oktober 2023 verzoekt de gemachtigde van eiser om een afschrift van het gehele dossier met betrekking tot eiser. Het verzoek is gebaseerd op artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
2.2.
In een brief van 2 februari 2024 schrijft de gemachtigde van eiser dat hij bij schrijven van 22 januari 2024, door hem ontvangen op 25 januari 2024, de bescheiden met betrekking tot eiser heeft ontvangen. De bescheiden inzake de eerdere aanvragen van een visum kort verblijf van eiser zijn niet ontvangen. De gemachtigde van eiser verzoekt de minister deze bescheiden alsnog naar hem te zenden.
2.3.
Met het bestreden besluit van 28 februari 2024 is het bezwaarschrift gegrond verklaard. Aan eiser is alsnog een visum verstrekt door plaatsing van een visumsticker. Ook heeft de minister het visumdossier met betrekking tot eiser uit 2016 meegestuurd. De minister merkt op dat de gemachtigde van eiser al eerder in het bezit is gesteld van de stukken uit 2016, omdat hij destijds de gemachtigde was in die zaak.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
3. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de minister aan eiser de proceskosten in bezwaar had moeten vergoeden. Dit heeft de minister namelijk in het verweerschrift erkend. Dit betekent dat eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Wat hier de gevolgen van zijn, wordt verder toegelicht in rechtsoverweging 6.
Vergoeding dienstverleningskosten
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte dienstverleningskosten heeft moeten betalen. Het is onrechtmatig om deze kosten in rekening te brengen voor de afwikkeling van de verlening van het visum. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser nader toegelicht dat hij bij de aanvraag van zijn visum naast de leges ook al dienstverleningskosten aan VFS Global heeft betaald.
4.1.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser zijn stelling dat hij ten tijde van de visumaanvraag naast legeskosten (die gebruikelijk zijn) ook al een keer dienstverleningskosten heeft betaald aan VFS Global, niet met stukken heeft onderbouwd. De dienstverleningskosten die hij op 20 maart 2023 heeft betaald bij het afhalen van zijn visum, zijn daarentegen wel onderbouwd met een schriftelijk bewijs van betaling. De minister heeft zich op standpunt gesteld dat deze dienstverleningskosten, die vastgesteld worden door VFS Global, hoe dan ook betaald moeten worden, ongeacht het moment van inwilliging van een visum. De rechtbank kan dit betoog volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek om een dwangsom
5. Verder stelt de gemachtigde van eiser dat de minister een dwangsom is verschuldigd vanaf 29 november 2023 tot en met 23 januari 2024. Zo lang heeft het immers geduurd voordat de minister heeft gereageerd op het verzoek om toepassing van artikel 15 van de AVG. Het dossier wat betrekking heeft op de voorliggende zaak heeft de gemachtigde ontvangen op 25 januari 2024. Het dossier wat ziet op de eerdere visumzaak van eiser in 2016 is ten tijde van het bestreden besluit ontvangen. De gemachtigde van eiser heeft op zitting toegelicht dat hij vaak lang moet wachten voordat de minister dossiers die hij opvraagt, ontvangt.
5.1.
De minister heeft op zitting toegelicht dat het opvragen van stukken in een bezwaarprocedure wordt aangemerkt als een verzoek op grond van artikel 7:4, vierde lid, van de Awb. Dit geldt ook als daartoe expliciet verwezen wordt naar de Woo of de AVG. Een reactie van de IND wordt niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb gezien. Dit heeft de minister ook verwoord in het bestreden besluit.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het verzoek om een afschrift van het gehele dossier van eiser hangende bezwaar terecht heeft opgevat als een verzoek in de zin van artikel 7:2, vierde lid, van de Awb, ondanks de verwijzing naar artikel 15 van de AVG. Artikel 7:2, vierde lid, van de Awb geeft namelijk waarborgen voor een goedlopende bezwaarprocedure, terwijl artikel 15 van de AVG tot doel heeft om iemand in staat te stellen, kennis te nemen van de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld en te controleren of die gegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt. Daarmee kan iemand vervolgens eventueel gebruik maken van zijn andere rechten onder de AVG, zoals het recht op rectificatie of gegevenswissing. Het verzoek van de gemachtigde van eiser om het gehele dossier valt daarom in dit geval niet onder de reikwijdte van de AVG, maar onder de reikwijdte van de Awb.
5.3.
Anders dan de gemachtigde van eiser in zijn brief van 2 februari 2024 schreef, hierin staat namelijk dat hij de bescheiden inzake een eerdere visumaanvraag van eiser niet had ontvangen, heeft hij in zijn bezwaarschrift van 5 oktober 2023 helemaal niet om dossiers met betrekking tot een eerdere procedure van eiser verzocht. Dit kan de minister alleen al om die reden dan ook niet verweten worden. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat hij dossiers uit het verleden interessant vindt omdat hij daar informatie uit kan destilleren die nuttig kan zijn bij de procedure van de voorliggende aanvraag. De gemachtigde van eiser voegde daaraan toe dat hij destijds ook de gemachtigde van eiser was, maar dat dossiers na vijf jaar worden vernietigd. De rechtbank is evengoed van oordeel dat ook een verzoek in een bezwaarprocedure om een geheel dossier van een eerder gevoerde procedure niet valt onder de reikwijdte van artikel 15 van de AVG. Het doel dat de gemachtigde voor ogen staat met een afschrift van een oud dossier strookt namelijk niet met de doelstelling van artikel 15 van de AVG. De conclusie luidt dat de minister geen dwangsom aan eiser is verschuldigd.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De minister moet wel het griffierecht en de proceskosten aan eiser vergoeden, zoals de minister op zitting heeft erkend. Dit omdat de minister ten onrechte geen proceskosten in bezwaar heeft toegekend. De proceskostenvergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
De gemachtigde van eiser vraagt de minister om het schrijven van 2 februari 2024 aan te merken als een mededeling op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Gelet op artikel 17 van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode).
Zie ook de werkinstructie 2023/8 Niet tijdig beslissen en dwangsommen, pagina 9.
Wet open overheid.
Immigratie- en Naturalisatiedienst.