Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:18098
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,745 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/8677
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
V-nummer: [v-nummer]
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).
Inleiding
1.1.
Met het primaire besluit van 11 september 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
1.2.
Met het bestreden besluit van 26 april 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Beoordeling
2.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk mocht verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van verschoonbare termijnoverschrijding en heeft verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard . Dit betekent dat verweerder alsnog een inhoudelijke beslissing moet nemen op het bezwaarschrift. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vier weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift vóór het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaarschrift te laat ingediend. Eiser heeft het primaire besluit op 15 september 2023 ontvangen, waardoor de bezwaartermijn op 13 oktober 2023 is geëindigd. Het bezwaarschrift is op 30 oktober 2023 ontvangen. Dat is meer dan een week na afloop van de termijn.
5. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift door eiser verschoonbaar is. Eiser voert aan dat hij het bezwaarschrift op 8 oktober 2023 tijdig heeft ingediend. Dat dit bezwaar pas op 30 oktober 2023 is ontvangen ligt volgens eiser aan de postbedrijven in zowel Nederland als Pakistan.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is een vertraging door de post van een in het buitenland verstuurde brief niet op voorhand onaannemelijk te achten. Reden waarom de rechtbank op zitting heeft gevraagd naar de envelop met poststempel, waarmee het standpunt van eiser dat hij het bezwaarschrift op 8 oktober 2023 heeft verzonden, onderbouwd had kunnen worden. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat de envelop niet meer in zijn bezit is.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat zij daardoor niet kan beoordelen of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dit terwijl de gemachtigde van verweerder op de zitting heeft erkend dat als aangetoond zou zijn dat het bezwaarschrift op 8 oktober 2023 is verzonden, de termijnoverschrijding verschoonbaar zou worden geacht.
7. De rechtbank is van oordeel dat het onzorgvuldig is geweest van verweerder om niet naar de stempel op de envelop te kijken. Niet iedere burger is immers zo goed georganiseerd dat hij van de datum van het sturen van een brief een onderbouwing kan geven, in de vorm van aangetekend versturen, via track & trace of anderszins. Dat de envelop niet meer in het bezit van verweerder is, en de rechtbank daardoor niet kan nagaan of eiser zijn bezwaarschrift tijdig op de bus heeft gedaan, dient voor rekening en risico van verweerder te komen en leidt ertoe dat de rechtbank de termijnoverschrijding verschoonbaar acht. Het bezwaar is dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en het beroep is om die reden gegrond.
Conclusie
8.1.
Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar.
8.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat verweerder inhoudelijk moet beslissen op het bezwaar van eiser. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
8.3.
Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan hem te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 april 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
12 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.