Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:18082
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,026 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35394
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Met het besluit van 24 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld (NL25.35392). Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij zijn beroep in Nederland mag afwachten en de rechten behoudt die hij heeft op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming.
Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter overweegt dat de minister bij brief van 3 juni 2025 aan de Tweede Kamer (TK 19 637, Nr. 3434) heeft besloten de eerder ingestelde bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Dit betekent dat verzoeker vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd heeft om uit de (gemeentelijke) opvang en Nederland te vertrekken en dat hij sinds 4 september 2025 niet meer mag werken. Gelet hierop heeft verzoeker spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vastgesteld dat verzoeker niet (langer) rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij moet terugkeren naar Algerije. Daarbij verwijst verweerder naar een uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, waarin is bepaald dat het recht op bescherming dat verzoeker geniet op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigde op 4 maart 2024. Verweerder heeft in overeenstemming met die uitspraak besloten dat de facultatieve bescherming op die datum eindigt. Het Hof van Justitie heeft in een arrest van 19 december 2024 geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft vervolgens bij uitspraak van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof in de voorliggende zaken dient te worden toegepast. De Afdeling heeft met deze uitspraak opnieuw bevestigd dat de facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd.
4. Verzoeker voert in het aan het verzoek connexe beroep aan dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de aanvullende zienswijze. Ook stelt eiser dat hij een wezenlijke bijdrage levert aan de maatschappij. Verder is in de beschikking niet aangegeven naar welk land eiser zal moeten terugkeren. Hij kan in ieder geval niet terugkeren naar Algerije, omdat hij vreest het risico te lopen op behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Tot slot is de beëindiging van de bescherming onwettig is. Hierbij is van belang dat sprake is van een demissionair kabinet en het niet aannemelijk is dat het standpunt in de toekomst stand zal houden.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
Zienswijze
5. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij de besluitvorming heeft betrokken dat eiser een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, vanwege het feit dat verzoeker in Nederland werk heeft en in Nederland vrienden en kennissen heeft. Ook is kenbaar meegenomen dat verzoeker geen strafblad heeft. De voorzieningenrechter volgt verzoeker daarom niet in zijn betoog dat de zienswijze onvoldoende is meegenomen bij de besluitvorming.
Onwettig terugkeerbesluit
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt het betoog van verzoeker dat het terugkeerbesluit onwettig is ook niet. Allereerst blijkt uit het bestreden besluit dat Algerije is aangewezen als land waar verzoeker naar moet terugkeren. Verder volgt weliswaar uit het arrest Kaduna en Abkez en de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025 dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, maar daarvan is in verzoekers geval geen sprake. Gelet op de eerder genoemde uitspraken van de Afdeling is de tijdelijke bescherming van verzoeker op 4 maart 2024 geëindigd, zodat hij vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Dat het verzoeker door middel van de bevriezingsmaatregel evenwel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van het arrest Kaduna en Abkez.
Artikel 3 van het EVRM
7. Niet is gebleken dat het bestreden besluit in strijd is met het verbod op refoulement. Het beroep op de algemene situatie in Algerije is niet nader onderbouwd en die algemene situatie geeft ook geen aanleiding om een artikel 3 EVRM schending aan te nemen bij een terugkeer naar dat land. Bovendien heeft verzoeker zijn asielaanvraag, waarin nader had kunnen worden ingegaan op zijn persoonlijke omstandigheden, ingetrokken. Verweerder overweegt in het bestreden besluit bovendien terecht dat verzoeker de mogelijkheid heeft een nieuwe asielaanvraag in te dienen.
Artikel 8 van het EVRM
8. De voorzieningenrechter volgt verzoeker evenmin in zijn betoog dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn volgt weliswaar dat bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening moet worden gehouden met het recht op privéleven, zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM, maar verzoeker heeft nagelaten zijn belangen te concretiseren dan wel nader te onderbouwen. De stelling dat hij in Nederland wil blijven werken, een bijdrage levert aan de samenleving en geen strafblad heeft, is hiervoor onvoldoende.
Conclusie
9. Gelet op al het voorgaande heeft het beroep naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. Daarom zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen als kennelijk ongegrond.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 september 2025 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:32
2001/55 EG
Hof van Justitie van de Europese Unie
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez)
ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Richtlijn 2008/115/EG.