Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:18081
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
2,752 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 23/11685 (beroep)
AWB 23/11686 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 12 maart 2025 in de zaken tussen
[eiser] ,
uit [woonplaats] , geboren op [geboortedag] 1983, van Britse nationaliteit, eiser/ verzoeker, hierna: eiser
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister.
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/ de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsdocument en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en P.L.D. Bihare als tolk. De procesvertegenwoordiger van de minister, heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet te verschijnen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de verblijfsvergunning van eiser mocht intrekken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. Eiser heeft de Britse nationaliteit en staat sinds 12 maart 2020 ingeschreven in de Basisregistratie persoonsgegevens (BRP). Eiser heeft op 16 juli 2020 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument met als doel ‘Terugtrekkingssakkoord bepaalde tijd economisch actief’. Eiser heeft bij zijn aanvraag een arbeidsovereenkomst met [naam] Supermarket & Souvenirs VOF (hierna: [naam] ) overgelegd. Met het besluit van 16 juli 2020 is de aanvraag van eiser ingewilligd.
3.1.
Naar aanleiding van de visumaanvraag van de broer van eiser is er twijfel ontstaan over het verblijfsrecht van eiser. Met het voornemen van 8 november 2022 heeft de minister laten weten voornemens te zijn om vast te stellen dat eiser geen verblijfsrecht meer heeft en zijn verblijfsdocument in te trekken. Op 21 november 2022 heeft eiser gereageerd op het voornemen.
3.2.
Met het besluit van 13 september 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister vastgesteld dat eiser nimmer verblijfsrecht heeft gehad in Nederland. Uit Suwinet-gegevens is gebleken dat eiser de werkzaamheden bij [naam] nooit heeft aangevangen. Bij de verblijfsaanvraag is er onjuiste informatie verstrekt en informatie achtergehouden volgens de minister. Het verblijfsdocument van eiser wordt daarom ingetrokken.
Rechtstreeks beroep
4. De rechtbank heeft geconstateerd dat eiser tegen het bestreden besluit geen bezwaarschrift heeft ingediend, maar meteen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. Eiser heeft niet voorafgaande aan de minister verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechter zoals bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.1.
Op zitting heeft eiser toegelicht dat hij omwille van de tijd meteen beroep heeft ingesteld. De rechtbank heeft voorafgaande aan de zitting telefonisch contact gehad met de procesvertegenwoordiging van de minister. De procesvertegenwoordiging heeft telefonisch aangegeven op voorhand geen bedenkingen te hebben met een rechtstreeks beroep en nog contact op te nemen met de rechtbank als dat standpunt verandert. Nu de minister nadien geen contact heeft opgenomen met de rechtbank, gaat de rechtbank uit van instemming van de minister met rechtstreeks beroep. De rechtbank zal het beroep van eiser inhoudelijk behandelen.
Juridisch kader
5. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen, geeft artikel 35 van de Verblijfsrichtlijn, dat is geïmplementeerd in artikel 8.25 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), de lidstaten de bevoegdheid om maatregelen te nemen om een in die richtlijn neergelegd recht in geval van rechtsmisbruik of fraude te ontzeggen, te beëindigen of in te trekken. Deze bepaling biedt een grondslag voor het maken van een uitzondering op het beginsel van vrij verkeer en verblijf voor Unieburgers en hun familieleden. De bewijslast dat rechtsmisbruik of fraude is gepleegd, rust op de minister. Deze moet maatregelen als hiervoor bedoeld baseren op een individueel onderzoek van het concrete geval, waarbij geldt dat systematische en willekeurige controles niet zijn toegestaan. Het voorgaande is ook het uitgangspunt van de Mededeling van de Commissie betreffende de richtsnoeren voor het recht van vrij verkeer van EU-burgers en hun familieleden. Uit paragraaf 16.2 volgt dat fraude kan worden gedefinieerd als het gedrag van een persoon die de wet wil overtreden door frauduleuze documenten waarin wordt beweerd dat aan alle formele voorwaarden is voldaan of die zijn opgesteld op basis van een onjuiste voorstelling van feiten betreffende de voorwaarden voor het verblijfsrecht.
5.1.
Uit artikel 8.25 van het Vb 2000 volgt dat de minister het rechtmatig verblijf kan ontzeggen, dan wel beëindigen, in geval van rechtsmisbruik of indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot weigering van toegang of verblijf.
5.2.
Uit paragraaf B 13/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat de minister het verblijfsrecht beëindigt met terugwerkende kracht bij rechtsmisbruik of indien er onjuiste gegevens zijn verstrekt terwijl bekendheid met de juiste gegevens zou hebben geleid tot weigering van het verblijfsdocument
Mocht de minister de verblijfsvergunning van eiser intrekken?
6. Eiser voert aan dat het bestreden besluit is gebaseerd op feitelijke misvattingen. Eiser had ten tijde van zijn aanvraag wel de intentie om te gaan werken bij [naam] . Eiser is niet gaan werken bij [naam] omdat hij besmet was geraakt met het coronavirus en hij kon als gevolg hiervan niet met zijn arbeidscontract starten. Vervolgens is eiser als zelfstandige gaan werken en kon hij in zijn financiële behoeften voorzien omdat hij over voldoende eigen financiële middelen beschikte. Eiser heeft geen aanspraak gemaakt op een uitkering of het socialezekerheidsstelsel van Nederland.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn aanvraag op 16 juli 2020 een arbeidsovereenkomst met [naam] , gedateerd 29 juni 2020, heeft overgelegd. Eiser zou per 1 juli 2020 voor de duur van 12 maanden in dienst treden voor een arbeidsduur van 20 uur tegen een bruto maandsalaris van € 825,-. De aanvraag van eiser is op grond hiervan eveneens op 16 juli 2020 ingewilligd.
6.2.
Uit de gegevens van Suwinet is gebleken dat eiser nooit zijn werkzaamheden bij [naam] heeft aangevangen. Dit gegeven heeft eiser op zitting bevestigd. Eiser heeft op zitting toegelicht dat hij besmet is geraakt met het coronavirus en hierdoor de eerste drie weken niet heeft kunnen werken. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van eiser gelegen om met stukken te onderbouwen dat hij besmet was geraakt met het coronavirus en dat hij als gevolg hiervan niet zijn arbeidsovereenkomst kon aanvangen. Dit heeft eiser niet gedaan. Eiser heeft op zitting toegelicht dat hij na zijn herstel niet kon werken bij [naam] omdat de situatie in de winkel niet stabiel was en de winkel slechts sporadisch open ging. De rechtbank acht deze uitleg van eiser ontoereikend. Daarbij is tevens van belang dat eiser zijn aanvraag heeft ingediend op 16 juli 2020, terwijl zijn arbeidsovereenkomst in zou zijn gegaan op 1 juli 2020. Ook indien het ten tijde van de aanvraag voor eiser bekend was dat hij als gevolg van het coronavirus niet kon werken of zou gaan werken bij [naam] , heeft eiser de minister ten tijde van zijn aanvraag onjuist geïnformeerd door zijn arbeidsovereenkomst met [naam] te overleggen als bewijsstuk voor zijn aanvraag. Eiser had moeten melden dat hij niet zijn werkzaamheden conform de door hem overgelegde arbeidsovereenkomst had aangevangen bij [naam] . Eiser zijn aanvraag was immers gehonoreerd op basis van de arbeidsovereenkomst met [naam] . Eiser had geen andere bewijsstukken bij zijn aanvraag overgelegd. Door aldus te handelen is sprake geweest van het verstrekken van onjuiste informatie en informatie achtergehouden omdat eiser nimmer bij [naam] heeft gewerkt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de verblijfsvergunning van eiser op goede gronden heeft ingetrokken.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
7.1.
Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3441.
Richtlijn 2004/38/EG.
Mededeling van de Commissie van 22 december 2023 met richtsnoeren betreffende het recht van vrij verkeer van Unieburgers en hun familieleden (C/2023/1392).