Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:18080
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
2,765 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28998 en NL25.29007
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam],
V-nummer: [nummer],
[naam],
V-nummer: [nummer],
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
mede namens hun minderjarige kind:
[naam], geboren op [geboortedatum],
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvragen van 24 augustus 2023.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
Zijn de beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond?
2. Op het moment dat eisers de minister in gebreke hebben gesteld was een Besluit- en Vertrekmoratorium van kracht voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië. Alhoewel eisers hieronder vallen, was de asielprocedure ten tijde van de ingebrekestelling al langer dan 21 maanden aanhangig. Eisers hebben meer dan twee weken na de datum van de ingebrekestelling beroep ingesteld. De beroepen zijn daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
3. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvragen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’.
4. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van acht weken besluiten moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
5. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
6. De rechtbank bepaalt in deze zaken dat, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvragen neemt, de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Zoals volgt
uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2020
(ECLI:NL:RVS:2020:1624) brengt een redelijke toepassing van artikel 8:55d, tweede lid,
van de Awb in dit geval met zich mee dat de minister één dwangsom verbeurt voor eisers gezamenlijk.
Conclusie
7. De beroepen zijn kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers een dwangsom verschuldigd.
8. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, waarbij de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog besluiten op de aanvragen bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers gezamenlijk tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2020:1560.
Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353.
Zie ECLI:NL:RVS:2020:1624.
Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:18080 text/xml public 2026-03-19T12:40:26 2025-10-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:18025 Rechtbank Den Haag 2025-10-02 NL25.28998 en NL25.29007 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18080 text/html public 2025-10-02T08:37:11 2025-10-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:18080 Rechtbank Den Haag , 02-10-2025 / NL25.28998 en NL25.29007 bnt, asiel RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.28998 en NL25.29007 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], gezamenlijk: eisers, (gemachtigde: mr. J.J. de Vries), mede namens hun minderjarige kind: [naam], geboren op [geboortedatum], en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvragen van 24 augustus 2023. 1.1. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank Zijn de beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond? 2. Op het moment dat eisers de minister in gebreke hebben gesteld was een Besluit- en Vertrekmoratorium van kracht voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië. Alhoewel eisers hieronder vallen, was de asielprocedure ten tijde van de ingebrekestelling al langer dan 21 maanden aanhangig. Eisers hebben meer dan twee weken na de datum van de ingebrekestelling beroep ingesteld. De beroepen zijn daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond. Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op? 3. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvragen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. 4. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van acht weken besluiten moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. Welke dwangsom legt de rechtbank op? 5. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. 6. De rechtbank bepaalt in deze zaken dat, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvragen neemt, de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1624) brengt een redelijke toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb in dit geval met zich mee dat de minister één dwangsom verbeurt voor eisers gezamenlijk. Conclusie en gevolgen 7. De beroepen zijn kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers een dwangsom verschuldigd. 8. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, waarbij de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog besluiten op de aanvragen bekend te maken; bepaalt dat de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers gezamenlijk tot een bedrag van € 453,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2020:1560. Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353. Zie ECLI:NL:RVS:2020:1624. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.