Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:17918
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,775 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33616
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [naam 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 17 augustus 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, J. Ibrahim als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Asielrelaas
2. Eiser heeft de Sierra Leoonse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Eiser heeft verklaard dat hij homoseksueel is. Eiser en zijn vriend zijn betrapt door een oom van zijn vriend toen zij gemeenschap hadden. Daarop is eiser mishandeld en opgesloten door de familie van zijn vriend. Eiser wist te ontsnappen en Sierra Leone te verlaten.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief);
eisers homoseksuele gerichtheid en hieruit voortkomende problemen (ook wel het tweede asielmotief).
3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit niet geloofwaardig, omdat hij geen identificerende documenten heeft overgelegd en daar geen goede verklaring voor heeft. Verweerder vindt eisers nationaliteit en herkomst wel geloofwaardig. Verder wordt het tweede asielmotief niet geloofwaardig geacht, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Sierra Leone geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst voert eiser aan dat hij er bewust voor heeft gekozen om geen identificerende documenten op te vragen bij de Sierra Leoonse autoriteiten, omdat zijn familie en partner [naam 2] daardoor in de problemen kunnen komen. Ook vindt eiser dat verweerder hem moest helpen bij het vaststellen van zijn identiteit. Verder voert eiser aan dat zijn homoseksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Volgens eiser kunnen geen persoonlijkere en inzichtelijkere verklaringen van hem worden verwacht. Daarnaast blijkt diepgang uit het feit dat eiser nog altijd samen is met [naam 2] en wordt niet elke lange relatie gekenmerkt door verbale en romantische expressie. Ook is eiser van mening dat hij wel inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij zich voelt als onderdeel van “ [organisatie] ”. Daarnaast voert eiser aan dat de betrapping ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, omdat iemand in een geheime relatie niet steeds rationeel handelt. Eiser heeft op 10 september 2025 een rapport opgesteld door de heer [naam 3] van LGBT Asylum Support overgelegd. In het rapport wordt vooral betoogd dat verweerder eisers referentiekader niet kenbaar heeft meegenomen bij de beoordeling van zijn verklaringen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder eisers identiteit ongeloofwaardig vinden?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers identiteit ongeloofwaardig mocht vinden, omdat eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn identiteit onderbouwen en daar geen goede verklaring voor heeft.
6.1.
Verweerder heeft van belang mogen achten dat eiser al een geruime tijd in Nederland is en onvoldoende inspanning heeft verricht om aan identificerende documenten te komen. Dat eiser geen documenten wil opvragen bij de Sierra Leoonse autoriteiten omdat zijn familie of partner in de problemen zouden kunnen komen, is geen verschoonbare verklaring nu niet nader is onderbouwd dat zijn familie of partner hiervan op de hoogte zullen worden gebracht. Ook tijdens de zitting heeft eiser dit onvoldoende weten te onderbouwen. Daarnaast is niet gebleken dat eiser op enige andere wijze heeft geprobeerd om aan documenten te komen waarmee hij zijn identiteit kan aantonen. Verweerder kan dit eiser aanrekenen, nu uit eisers verklaringen blijkt dat hij nog in contact staat met zijn broertje in Sierra Leone. Eisers betoog ter zitting dat zijn broertje bang is om hem te helpen omdat homoseksualiteit taboe is in Sierra Leone, slaagt volgens de rechtbank niet nu eiser ook heeft verklaard dat hij niet weet of zijn broertje op de hoogte is van zijn homoseksuele geaardheid. Dat verweerder volgens eiser had moeten helpen om zijn identiteit vast te stellen, volgt de rechtbank niet nu het in eerste instantie aan de vreemdeling is om alle belangrijke documenten zo snel mogelijk naar voren te brengen.
Mocht verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig vinden?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig mocht vinden, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
7.1.
Zo heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over hoe hij achter zijn homoseksuele geaardheid is gekomen. Eiser is meerdere malen in de gelegenheid gesteld om te vertellen hoe hij er achter kwam dat hij op jongens valt en wat hij daarbij voelde. Eiser heeft daarop enkel verklaard dat hij in de buurt van jongens een erectie kreeg en dat er geen andere gevoelens speelden. Verweerder heeft van eiser mogen verwachten dat hij inzichtelijk kan verklaren over de ontdekking van zijn geaardheid, met name omdat eiser al geruime tijd bekend is met zijn geaardheid, heeft aangegeven dat hij het oké vindt om over zijn gevoelens te praten en zich in een gemeenschap begeeft waarin hij opener is.
7.2.
Ook heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser ontwijkend en oppervlakkig heeft verklaard over zijn leven als homoseksuele man. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser ontwijkend heeft geantwoord op de vragen hoe het voor hem was om er achter te komen dat hij op mannen valt in een land waar homoseksualiteit verboden is en welke vragen er door zijn hoofd gingen toen hij achter zijn geaardheid kwam. Verweerder heeft verder van belang mogen achten dat eiser kan verklaren dat hij bang was toen hij zijn geaardheid moest verbergen, maar dat hij niet kan concretiseren waar hij precies bang voor was.
7.3.
Verder heeft verweerder mogen vinden dat eiser onduidelijk heeft verklaard over [naam 2] en hun relatie niet inzichtelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser ontwijkend en oppervlakkig heeft geantwoord als aan hem wordt gevraagd wat hij aantrekkelijk vindt aan [naam 2] en waaruit blijkt dat hij van hem houdt. Eiser heeft namelijk enkel verklaard dat zij elkaar lang kennen, elkaar begrijpen, altijd samen waren en hij [naam 2] mist. Voorgaande verklaringen geven ook geen blijk van een liefdesrelatie, nu hier ook sprake van kan zijn binnen een vriendschap. Eisers stelling in de beroepsgronden dat niet elke relatie wordt gekenmerkt door verbale of romantische expressie, leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel nu verweerder dat ook niet van eiser verwacht. Gezien het feit dat eiser en [naam 2] al ruim 20 jaar een liefdesrelatie hebben, mocht verweerder echter wel van eiser verwachten dat hij gedetailleerder kon vertellen wat hem aantrekt in [naam 2] , waarom hij van hem houdt en wat de bijzondere momenten uit hun relatie waren.
7.4.
Eisers betoog dat er geen persoonlijkere en inzichtelijkere verklaringen van hem verwacht mogen worden omdat hij jarenlang is onderdrukt, slaagt niet. Gezien het feit dat eiser 12 jaar oud was op het moment dat hij achter zijn homoseksuele geaardheid kwam, reeds 20 jaar een homoseksuele relatie heeft en uit een land komt waar zijn geaardheid niet geaccepteerd wordt, mag worden verwacht dat hij uitgebreider kan verklaren over zijn gedachten en gevoelens ten aanzien van zijn homoseksuele geaardheid.
Conclusie
9. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.
10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 31, zesde lid, onder b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 31, zesde lid, onder c, Vw.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Nader gehoor van 1 juli 2025, p. 21.
Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel) van 1 juli 2024, p. 2.
Nader gehoor van 1 juli 2025, p. 11.
Nader gehoor van 1 juli 2025, p. 10.
Nader gehoor van 1 juli 2025, p. 11.
Nader gehoor van 1 juli 2025, p. 12.
Nader gehoor van 1 juli 2025, p. 11.
Nader gehoor van 1 juli 2025, p. 3.
Nader gehoor van 1 juli 2025, p. 14 en 15.
Zie uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12639, r.o. 6.