Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:17825
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,027 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:17825 text/xml public 2026-02-27T11:26:25 2025-09-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-09-25 AWB - 24 _ 10190 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026022405 V-N Vandaag 2026/344 Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/227 NLF 2026/0397 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17825 text/html public 2026-02-23T15:45:40 2026-02-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:17825 Rechtbank Den Haag , 25-09-2025 / AWB - 24 _ 10190 IB/PVV - Belaste periodieke uitkering. Nu de BIV-uitkering wordt uitgekeerd op grond van de Kaderwet militaire pensioenen in combinatie met het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen en het Besluit bijzondere militaire pensioenen, stelt de rechtbank stelt vast dat de BIV-uitkering niet op grond van een privaatrechtelijke verhouding tussen de overheid als werkgever en eiser wordt ontvangen, maar op grond van een publiekrechtelijke regeling. Daarnaast wordt de BIV-uitkering in maandelijkse termijnen uitgekeerd, vervalt het recht op de uitkering bij overlijden van de gerechtigde en is sprake van een reeks van uitkeringen waarvan het totale beloop onzeker is. Gelet hierop is er sprake van een publiekrechtelijke periodieke uitkering die belast is in de zin van artikel 3.101, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 24/10190 en SGR 24/10191 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2025 in de zaak tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. De bestreden uitspraken op bezwaar De uitspraken van verweerder van 4 december 2024 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaren 2022 en 2023 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2025. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [medewerker belastingdienst 1] en mr. drs. [medewerker belastingdienst 2]. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1940 en hij is als gevolg van een (arbeids)ongeval gedurende zijn diensttijd in 1960 arbeidsongeschikt geworden. Als gevolg hiervan is aan eiser door de Staatssecretaris van Defensie een levenslang invaliditeitspensioen toegekend en een bijzondere invaliditeitsverhoging (de BIV-uitkering). 2. Eiser ontving in 2022 en 2023 een invaliditeitspensioen inclusief een bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV-uitkering) van in totaal € 15.461 respectievelijk € 21.810. 3. De definitieve aanslag IB/PVV 2022 is op 19 mei 2023 conform de ingediende aangifte vastgesteld en die van 2023 op 26 juli 2024. 4. Eiser heeft bij brief van 26 juli 2023, ontvangen door verweerder op 27 juli 2023, bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2022 en op 23 juli 2024 is tevens bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2023 omdat volgens eiser de BIV-uitkering onbelast is. 5. Bij uitspraak op bezwaar van 2 juli 2024 tegen de aanslag IB/PVV 2022 heeft verweerder, omdat het bezwaar niet ontvankelijk is vanwege termijnoverschrijding, het bezwaar als een verzoek om ambtshalve vermindering aangemerkt en afgewezen omdat de uitkering als periodieke uitkering belast is. 6. Eiser heeft bij brief van 3 augustus 2024 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. 7. Bij uitspraken op bezwaar van 4 december 2024 is het bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV 2022 en 2023 om dezelfde redenen als in de uitspraak op bezwaar van 2 juli 2024 afgewezen. 8. In geschil is of de BIV-uitkering van € 2.811 ((20%/110%) * € 15.461) in 2022 en € 3.965 ((20%/110%) *€ 21.810)) in 2023 een belaste uitkering is. 9. Eiser heeft aangevoerd dat de BIV-uitkering, zijnde een immateriële schadevergoeding, een onbelaste uitkering is op basis van het gewezen arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2022 (ECLI:NL:HR: 2022 :444), zodat hierover geen loonheffing verschuldigd is. 10. Verweerder heeft aangevoerd dat het voornoemde arrest van de Hoge Raad een zaak is waarin een brandweerman een eenmalige letselschadevergoeding heeft ontvangen voor immateriële schade (smartengeld). De Hoge Raad besliste, anders dan voorheen, kort gezegd dat een dergelijke uitkering niet tot het loon behoort, tenzij de werkgever meer vergoedt dan uit zijn aansprakelijkheid voortvloeit. Gelet hierop behoort ook de BIV-uitkering volgens verweerder niet tot het loon. Anders dan in het arrest ontvangen de BIV-gerechtigden het smartengeld in de vorm van een periodieke (maandelijkse) uitkering. Ondanks dat geen sprake is van loon, is deze periodieke uitkering belast voor de inkomstenbelasting in box 1. 11. Op grond van artikel 3.101, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 zijn aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen belastbaar. Onder aangewezen periodieke uitkeringen vallen onder meer periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling (publiekrechtelijke periodieke uitkeringen). Onder publiekrechtelijke uitkeringen moet worden verstaan uitkeringen die rechtstreeks voortvloeien uit wettelijke voorschriften van publiekrechtelijke aard. Daarbij is niet vereist dat de uitkeringen worden gedaan door een publiekrechtelijke rechtspersoon. Uit de jurisprudentie blijkt dat sprake is van een periodieke uitkering indien de uitkering onderdeel vormt van een reeks van uitkeringen en het beloop daarvan - vanuit de schuldenaar bezien afhankelijk is van een toekomstige onzekere gebeurtenis. 12. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de BIV-uitkering een periodieke uitkering betreft, die niet tot het loon behoort. Nu de BIV-uitkering wordt uitgekeerd op grond van de Kaderwet militaire pensioenen in combinatie met het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen en het Besluit bijzondere militaire pensioenen, stelt de rechtbank stelt vast dat de BIV-uitkering niet op grond van een privaatrechtelijke verhouding tussen de overheid als werkgever en eiser wordt ontvangen, maar op grond van een publiekrechtelijke regeling wordt ontvangen. Daarnaast wordt de BIV-uitkering in maandelijkse termijnen uitgekeerd en vervalt het recht op de uitkering bij overlijden van de gerechtigde. De BIV-uitkering is daarmee onderdeel van een reeks van uitkeringen waarvan het totale beloop onzeker is. Gelet hierop dient de BIV-uitkering naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een publiekrechtelijke periodieke uitkering . Dat er geen sprake is van loon, leidt anders dan eiser veronderstelt, niet tot een onbelastbare uitkering. De loonheffing, die volgens eiser ten onrechte is ingehouden, betreft echter slechts een voorheffing die wordt verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting over de BIV-uitkering. Ook de stelling van eiser ter zitting dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de vraag of er überhaupt sprake was van een dienstbetrekking, aangezien hij verplicht in militaire dienst moest, is in deze niet relevant en leidt niet tot een ander oordeel, aangezien verweerder niet betwist dat er geen sprake is van loon. Gelijkheidsbeginsel 13. Eiser heeft ter zitting een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel aangezien hij van oordeel is dat hij ongunstiger behandeld wordt dan een belastingplichtige die een eenmalige smartengelduitkering ontvangt die onbelast wordt uitgekeerd. De rechtbank volgt eiser niet, omdat van gelijke gevallen immers geen sprake is nu een eenmalige uitkering wezenlijk verschilt van een reeks van, van het leven afhankelijke, uitkeringen. 14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond. 15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Heel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2025.