Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:17805
Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
13,615 tokens
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/681499 / KG ZA 25-202
Vonnis in kort geding van 2 juli 2025
in de zaak van
LIFTRA IP APS,
te Amsterdam,
eisende partij,
advocaat: mr. M.G.R. van Gardingen,
tegen
1LIFTOFF-MCE B.V.,
te Den Haag,2. KENZ CRANES B.V.,
te Zaandam,3. KENZ CRANE SERVICES B.V.,
te Zaandam,
gedaagde partijen,
mr. A.M.E. Verschuur.
Eisende partij wordt hierna Liftra genoemd. Gedaagde partijen zullen afzonderlijk worden aangeduid als Liftoff-MCE en KenzFigee (Kenz Cranes en Kenz Crane Services) en gezamenlijk als Liftoff c.s.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 21 maart 2025, met producties EP01 t/m EP35;- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie tevens houdende overlegging producties, met producties GP01 t/m GP16;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties EP36 t/m EP39;
- de akte houdende overlegging producties van Lift-off c.s., met producties GP17 t/m GP20.
1.2.
Op 26 mei 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting besproken is. Partijen hebben vragen van de voorzieningenrechter beantwoord en hun standpunten nader toegelicht aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Tot slot heeft de voorzieningenrechter bepaald dat er vandaag vonnis wordt gewezen.
Feiten
Partijen
2.1.
Liftra is een van origine Deense onderneming die gespecialiseerd is in de ontwikkeling en toepassing van hef- en transportapparatuur voor de windturbine-industrie. Liftra levert (innovatieve) systemen, materialen en services voor het onderhoud van windturbines aan bedrijven over de hele wereld. In Amerika en Canada worden de Liftra producten verkocht door Liftra USA Inc (hierna: Liftra USA).
2.2.
Liftoff-MCE houdt zich bezig met kant-en-klare (turnkey) uitwisselingsdiensten en het uitvoeren van gespecialiseerde hijsdiensten voor belangrijke onderdelen van windturbines. Hierbij worden grote onderdelen van windturbines vervangen. Liftoff-MCE houdt zich verder bezig met de ontwikkeling van innovatieve oplossingen in dit kader. Liftoff-MCE is oorspronkelijk opgericht als Europese tak van de LiftWerx groep, destijds Liftwerx Europes B.V. De LiftWerx groep bestaat verder uit bedrijven in Canada - Liftwerx Holding Inc (hierna: LiftWerx Holding) en LiftWerx Solutions Inc (hierna LiftWerx Solutions) – en in Amerika, LiftWerx USA Inc. Met ingang van 7 augustus 2024 is LiftWerx Europe B.V. gerebrand naar Liftoff-MCE met een eigen website en dus geen onderdeel meer van de LiftWerx Groep.
2.3.
KenzFigee houdt zich bezig met de productie en levering van gespecialiseerde kranen voor marine, offshore en windenergie.
2.4.
De investeringsmaatschappij Meemaken B.V. is blijkens de concerngegevens in het handelsregister van de Kamer van Koophandel de bestuurder van Liftoff Holding B.V., die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder van Liftoff-MCE is. Tevens is Meemaken B.V. enig aandeelhouder van KenzFG Holding B.V., die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van KenzFigee Group B.V. Laatsgenoemde vennootschap is enig aandeelhouder en bestuurder van de bedrijven Kenz Crane Services B.V., Kenz Figee International B.V. en Kenz Cranes B.V.
2.5.
Op LinkedIn is een account van LiftWerx, KenzFigee, alsmede – sinds augustus 2024 – van Liftoff-MCE. Op het LinkedIn account van LiftWerx staat onder meer het volgende bericht:
2.6.
Op het LinkedIn-account van KenzFigee staat onder meer het volgende bericht
[afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]
Het Octrooi
2.7.
Liftra is houdster van het op 6 oktober 2015 aangevraagde en op 7 december 2022 verleende Europees octrooi EP 3 204 639 B1 (hierna: ‘EP 639’ of ‘het Octrooi’), getiteld “Main shaft fixture”. Bij de aanvraag van het Octrooi is de prioriteit ingeroepen van DK 201400573 van 7 oktober 2014 en DK 201500527 van 4 september 2015. Het Octrooi is van kracht in Nederland, Duitsland, België, Luxemburg, Zwitserland, Denemarken, Spanje, Frankrijk, Monaco, Ierland en het Verenigd Koninkrijk.
2.8.
Het Octrooi ziet op een inrichting die het mogelijk maakt de hoofdas (‘main shaft’) in de gondel (‘nacelle’) van een windturbine tijdelijk vast te zetten (‘fixeren’) door middel van een hoofdasklem (‘main shaft fixture’) met een geïntegreerde rotorvergrendeling, waarbij de montagepunten voor een zelfhijsende kraan zijn geïntegreerd in diezelfde inrichting. Doordat deze voorzieningen (dus zowel de montagepunten voor de zelfhijsende kraan als de main shaft fixture) in één inrichting zijn verwerkt, worden de ankerpunten in de gondel efficiënt gebruikt en kunnen deze tegelijk worden geïnstalleerd in de gondel, in plaats van na elkaar.
2.9.
Het Octrooi bevat 10 conclusies, waarvan één onafhankelijke conclusie en negen afhankelijke conclusies, die in de oorspronkelijke Engelse taal als volgt luiden:
Claims
1. Main shaft fixture (10) for fixation of a main shaft (4) on a wind turbine during execution of installation and repair work on heavy parts of a wind turbine, where the fixture (10) is divided up into a number of sections for mounting on stable structural parts (2) structural parts in a nacelle in a wind turbine, including the bottom frame (2) of the nacelle, wherein the main shaft fixture (10) comprises at least three radial displaceable pressure mandrels (18), substantially symmetrical located around the centre axis (11) of the main shaft, the ends of said pressure mandrels (18) facing the main shaft (4) are furnished with a tap shoe (20), and said pressure mandrels (18) being displaceable between a passive, withdrawn lockable position where the tap shoes (20) are configured to be located at a distance from the surface of the main shaft (4) and an active, advanced lockable position where the tap shoes (20) are configured to be engaged with the main shaft (4), and wherein the main shaft fixture comprises a rotor lock (24) for fixation of the rotor(8) of the wind turbine, and that the rotor lock (24) consists of a flange element, whose bolt circle geometry (26) corresponds to a bolt circle geometry (28) on the rotor, said flange element (24) being fastened at the ends to a first end (21) of two first beam-shaped brackets (22) extending parallel with, and on each side of the main shaft, said beam shaped brackets (22) belonging to the main shaft fixture, and where a second end (23) of the brackets (22) is pivotally mounted with horizontally oriented bolt connections (30), on other brackets (39) belonging to the main shaft fixture (10), which are adapted to be anchored on the bottom frame (2) of the nacelle.
2. Main shaft fixture (10), according to claim 1, characterised in, that it comprises mounting facilities for a self-hoisting crane (14), the winch of which is located on the ground surface near the foot of the wind turbine.
3. Main shaft fixture (10), according to claim 1 or 2, characterised in , that it comprises mounting facilities (40) for a lightweight crane (12).
4. Main shaft fixture (10), according to any one of the claims 1-3, characterised in , that the pressure mandrels (18) is provided with actuators for displacing and retaining the tap shoes (20) in the passive, withdrawn position and the active, advanced position, respectively, alternatively in a selectable position between the passive withdrawn and the active advanced position.
5. Main shaft fixture (10), according to any one of the claims 1-3, characterised in, that the pressure mandrels (18) consists of threaded bolts whose opposing free ends facing the main shaft are furnished with tap shoes (20), and said threaded bolts cooperates with threaded holes in relevant sections of the fixture (10).
6. Main shaft fixture (10), according to any one of the claims 1-5, characterised by a slideway
lining (42, 44) being located between the opposing sides of the surface of the main shaft and tap shoes.
7. Main shaft fixture (10) according to claim 6, characterised in, that the slideway lining is configured so that of the opposing free ends of the tap shoes (20) facing the main shaft (4) are provided with a slide plate (42) which in the active advanced position is engaged with the main shaft (4).
8. Main shaft fixture (10) according to claim 6 or 7, characterised in , that it comprises a multi-part slide plate (44) cooperating with the main shaft (4) for mounting on the main shaft (4), where the multi-part slide plate (44) in its mounted position on the main shaft (4) is cooperating with the tap shoes (20).
9.
Conclusie
1. Hoofdasklem (10) voor het bevestigen van een hoofdas (4) op een windturbine tijdens het uitvoeren van installatie- of reparatiewerk op zware delen van een windturbine, waarbij de klem (10) is onderverdeeld in een aantal secties voor montage op stabiele structurele delen (2) in een gondel in een windturbine, waaronder het bodemframe (2) van de gondel, waarbij de hoofdasfitting (10) ten
minste drie radiaal verplaatsbare drukdoornen (18) omvat, nagenoeg symmetrisch geplaatst om de hartlijn (11) van de hoofdas, waarbij de uiteinden van genoemde drukdoornen(18) die naar de hoofdas (4) zijn gericht, zijn voorzien van een tapschoen (20), en genoemde drukdoornen (18) die verplaatsbaar zijn tussen een passieve, teruggetrokken positie waar de tapschoenen (20) zijn geconfigureerd om op een afstand van het oppervlak van de hoofdas (4) geplaatst te zijn, en een
actieve, opgevoerde vergrendelbare positie waarin de tapschoenen (20) zijn geconfigureerd om in aangrijping met de hoofdas (4) te zijn, en waarbij de hoofdasfitting een rotorvergrendeling (24) voor bevestiging van de rotor (8) van de windturbine omvat, en doordat de rotorvergrendeling (24) bestaat uit een flenselement, waarvan de boutcirkelgeometrie (26) overeenkomt met een boutcirkelgeometrie (28) van de rotor, waarbij genoemd flenselement (24) aan de uiteinden is vastgemaakt aan een eerste uiteinde (21) van twee eerste balkvormige beugels (22) die zich parallel aan, en aan elke zijde van de hoofdas uitstrekken, waarbij genoemde balkvormige beugels (22) bij de hoofdasfitting horen, en waarin een tweede uiteinde (23) van de beugels (22) scharnierend gemonteerd is, met horizontaal georienteerde boutverbindingen (30), op andere aan de de hoofdasklem (10) toebehorende beugels (39), die geschikt zijn om op het bodemframe (2) van de gondel te worden verankerd.
2. Hoofdasklem (10), volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat zij montagevoorzieningen voor een zelfhijsende kraan (14) omvat, waarvan de windas zich op het grondoppervlak nabij de voet van de windturbine bevindt.
3. Hoofdasklem (10), volgens conclusie 1 of 2, gekenmerkt doordat zij montagevoorzieningen (40) voor een lichtgewicht kraan (12) omvat.
4. Hoofdasklem (10), volgens een van de conclusies 1-3, gekenmerkt doordat de drukdoornen (18) is voorzien van actuators voor het verplaatsen en vasthouden van de tapschoenen (20) in respectievelijk de passieve, teruggetrokken positie en de actieve, opgevoerde positie, hetzij in een selecteerbare positie tussen de passieve teruggetrokken en de actieve vooruit bewogen positie.
5. Hoofdasklem (10), volgens een van de conclusies 1-3, gekenmerkt doordat de drukdoornen (18) bestaat uit draadbouten waarvan tegenover elkaar liggende vrije uiteinden die naar de hoofdas zijn gericht, zijn voorzien van tapschoenen (20), en genoemde draadbouten samenwerkt met draadgaten in relevante secties van de klem (10).
6. Hoofdasklem (10), volgens een van de conclusies 1-5, gekenmerkt door een geleidebaanvoering (42, 44) die zich tussen de tegenoverliggende zijden van het oppervlak van de hoofdas en de tapschoenen bevindt.
7. Hoofdasklem (10) volgens conclusie 6, gekenmerkt doordat de geleidebaanvoering is geconfigureerd zodat van de tegenoverliggende vrije uiteinden van de tapschoenen (20) die naar de hoofdas (4) zijn gericht, zijn voorzien van een glijplaat (42) die in de actieve opgevoerde positie in aangrijping met de hoofdas (4) is.
8. Hoofdasklem (10) volgens conclusie 6 of 7, gekenmerkt doordat zij een meerdelige glijplaat (44) omvat die met de hoofdas (4) samenwerkt om op de hoofdas (4) te monteren, waarbij de meerdelige glijplaat (44) in zijn gemonteerde positie op de hoofdas (4) met de tapschoenen (20) samenwerkt.
9. Hoofdasklem (10), volgens een van de conclusies 1-5, gekenmerkt doordat zij een meerdelig naaldlager, walslager, kogellager (46) omvat, dat bestaat uit een aan de hoofdas (4) vastgemaakte meerdelige binnenring (48), en een daarmee samenwerkende meerdelige buitenring (50) die bestaat uit gebogen subsegmenten (52) die overeenkomen met het aantal tapschoenen, gemonteerd
op de tegenoverliggende zijde van de tapschoenen (20) die naar de binnenring (48) is gericht, die in de opgevoerde actieve positie van de drukdoornen de buitenring (50) vormen op een afstand van de buitenomtrek van de meerdelige binnenring (48), en waar een gepast aantal van naaldwalsen, walsen, of kogels (54) is ingericht tussen de binnenring (48) en de buitenring (50), en waar middelen aanwezig zijn om de naalden, walsen, of kogels (54) in positie tussen de binnenring (48) en de buitenring (50) op te sluiten.
10. Hoofdasklem (10), volgens een van de conclusies 1 tot en met 9, gekenmerkt doordat ten minste een actuator (36) zich het dichtst bevindt bij de rotorvergrendeling (24) tussen het bodemframe (2) van de gondel en de naburige zijde (25) van de eerste balkvormige beugels (22) die naar het bodemframe (2) is gericht, waarbij genoemde actuator (36) verplaatsbaar is tussen een eerste passieve buitenpositie en een actieve buitenpositie waar het flenselement(24) verticaal is verplaatst.
Zelfhijsende kranen: LT1000 en GenHooks
2.11.
Op 20 mei 2016 heeft Liftra USA Inc. aan LiftWerx Solutions een LT1000 kraan verkocht met daarbij onder meer een onderstel (crane base) voor installatie in een General Electric – 1.5 Megawatt (hierna: GE 1.5 MW) windturbine. De LT1000 kraan ziet er – gemonteerd in de gondel van een windturbine – als volgt uit:
2.12.
Het bedrijf Jensen Crane Services (hierna: JCS) heeft eenzelfde LT1000 kraan met een crane base voor de GE 1.5 MW windturbine van Liftra USA gekocht. JCS heeft deze kraan met crane base nadien weer verkocht aan LiftWerx Solutions.
2.13.
Uit een bericht op het LinkedIn account van LiftWerx volgt dat haar bedrijven in Noord-Amerika en Europa (toen nog LiftWerx Europe B.V.) beschikken over vijf (en binnenkort zeven) GenHook kranen. Dit zijn net als de LT1000 zelfhijsende kranen die worden gebruikt bij werkzaamheden in de gondels van verschillende typen windturbines.
2.14.
In de zomer van 2022 is op het LinkedIn account van LiftWerx het volgende bericht geplaatst over een crane base voor onderhoudswerkzaamheden met een zelfhijsende kraan in GE windturbines.
Verlof tot het leggen van beslag
2.15.
Bij beschikking van 27 september 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, na een daartoe strekkend verzoek van Liftra van 20 september 2024, verlof verleend tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag onder Liftoff-MCE en KenzFigee en tot het maken van een gedetailleerde beschrijving van de in het verzoekschrift in randnummer 196 bedoelde zaken en/of omstandigheden. Randnummer 196 van het verzoekschrift luidt als volgt:
“Liftra verzoekt daarnaast om verlof tot het op laten maken van een gedetailleerde beschrijving door de deurwaarders, geassisteerd door deskundigen, ex 1019b Rv van alle producten van Gerekwestreerden voor het fixeren van de hoofdas en de rotor in de gondel van een windturbine, uit welke beschrijving de technische details kunnen worden opgemaakt van die producten, en waarmee deze producten van Gerekwestreerden kunnen worden vergeleken met de kenmerken van de conclusies van het Octrooi. Liftra verzoekt dat de deurwaarders en experts bij het opstellen van de gedetailleerde beschrijving gebruik kunnen maken van technische tekeningen van Gerekwestreerden of zelf technische tekeningen kunnen opstellen, en dat hierbij ook foto’s en/of video’s kunnen worden gemaakt die onderdeel uitmaken van de gedetailleerde beschrijving.
Geschil
In conventie
3.1.
Liftra heeft de voorzieningenrechter verzocht:
A. Liftra toe te staan met onmiddellijke ingang na betekening van deze beschikking inzage te nemen in, en kopieën te maken van, de in bewaring genomen bescheiden en gedetailleerde beschrijvingen inclusief alle bijbehorende bijlagen bij die bescheiden en beschrijvingen;
B. althans, gedaagden te bevelen de onder 3.12 van de beslagbeschikking aangestelde bewaarder (Groot&Evers) met onmiddellijke ingang na betekening van de in dezen te wijzen beschikking te instrueren, dat hij Liftra moet toestaan, en in staat moet stellen, inzage te nemen in, en kopieën te maken van, de in bewaring genomen bescheiden en gedetailleerde beschrijvingen inclusief alle bijbehorende bijlagen bij die bescheiden en beschrijvingen;
C. te bepalen dat gedaagden ieder voor zich een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeuren van EUR 50.000 (vijftigduizend) per dag of dagdeel dat zij in strijd handelen met het onder B verzochte met een maximum van EUR 1.000.000 (één miljoen);
D. gedaagden te veroordelen in de redelijke en evenredige kosten van deze procedure als bedoeld in art. 1019h Rv, te voldoen binnen twee werkdagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan het verschuldigde bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de derde werkdag na datum van de beschikking tot de dag van volledige betaling;
E. de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Liftra heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat er een serieus, althans een redelijk vermoeden bestaat dat Liftoff c.s. inbreuk (dreigen te) maken op het Octrooi, althans onrechtmatig betrokken zijn bij inbreuk op het Octrooi, in/vanuit Nederland. Dit volgt uit de foto bij het bericht op het LiftWerx LinkedIn-account (hierna: de LinkedIn-foto) waarop niet originele dan wel aangepaste onderdelen van de door Liftra USA in 2016 aan LiftWerx Solutions geleverde crane base voor de GE 1.5 MW windturbine te zien zijn. Liftra heeft de onderdelen op de LinkedIn-foto in de processtukken aangeduid als ‘het LiftWerx product’. Dit LiftWerx product heeft zij door een octrooigemachtigde laten vergelijken met door LiftWerx Holdings aangevraagde octrooien, te weten:
de op 22 februari 2021 aangevraagde internationale octrooiaanvrage WO2021/168549 A1 (WO 549) met de titel “multiple up-tower lifting appliances on wind turbines”, waarbij prioriteit is ingeroepen van US 62/982,957 van 28 februari 2020 en onder meer Europese landen (waaronder Nederland) zijn aangewezen;
het op 27 augustus 2019 aangevraagde en op 26 mei 2021 verleende Europese octrooi EP 3824180 B1 (EP 180) met de titel “Rotor lock for wind turbine”, waarbij prioriteit is ingeroepen van US 201862725885 P van 31 augustus 2018.
Uit deze vergelijking volgt volgens Liftra dat het LiftWerx product valt onder de conclusies van het Octrooi. Liftra stelt zich op het standpunt dat KenzFigee alle kranen en onderdelen van kranen (zoals crane bases) voor de bedrijven behorende bij de LiftWerx groep produceert. KenzFigee heeft dus ook de inbreukmakende onderdelen op de LinkedIn-foto in Nederland geproduceerd en vervolgens naar Canada geëxporteerd en aldus inbreuk gemaakt op het Octrooi. Verder heeft Liftra vernomen dat LiftWerx meedoet aan tenders in Europa en de Verenigde Staten voor onderhoud aan GE windturbines; hiervoor heeft zij meerdere zelfhijsende kranen (meer dan de twee LT1000 kranen en de zeven GenHook kranen waarover zij beschikt, zie 2.11 tot en met 2.13) nodig en per kraan een voor GE windturbines geschikte crane base nodig. Voor zover Liftra weet, beschikt LiftWerx over twee originele GE 1.5 MW crane bases van Liftra (geleverd bij de door LiftWerx Solutions gekochte LT1000 kranen (zie 2.11 en 2.12). Dit verstrekt het vermoeden dat de LiftWerx groep meer crane bases, zoals het LiftWerx-product zichtbaar op de LinkedIn-foto, door KenzFigee in Nederland heeft laten produceren. Liftoff-MCE doet mee aan tenders in Europa voor onderhoud aan GE windturbines, waarbij zij gebruik zal maken van deze door KenzFigee geproduceerde crane bases – die vallen onder de conclusies van het Octrooi – en door het aanbieden van en gebruiken van die crane bases dus inbreuk maakt op het Octrooi.
Liftra heeft belang bij de gevorderde inzage om haar uit voorgaande feiten en omstandigheden redelijke vermoeden van inbreuk op het Octrooi nader te kunnen onderbouwen.
3.3.
Liftoff c.s. voert gemotiveerd verweer en concludeert primair tot niet ontvankelijk verklaring van Liftra in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van die vorderingen en subsidiair tot beperking van de gevorderde inzage in en afschrift van de bescheiden, met veroordeling van Liftra in de proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv, vermeerderd met wettelijke rente.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.
In reconventie
3.5.
Liftoff c.s. vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primaira) alle op grond van het verlof van 27 september 2024 gelegde beslagen opheft;b) Liftra gebiedt alle (kopieën van) bescheiden en materialen die op grond van het verlof van 27 september 2024 in beslag en/of bewaring zijn genomen, ter keuze van Liftoff c.s., onverwijld te doen vernietigen op een zodanige wijze dat strikte vertrouwelijkheid is gewaarborgd, dan wel onverwijld aan Liftoff c.s. te doen retourneren, en, in het geval van vernietiging, de advocaten van Liftoff c.s. hiervan binnen 5 werkdagen na zulke vernietiging een schriftelijke bevestiging te sturen in de vorm van een deurwaardersrapport;
c) Liftra verbiedt nogmaals ex parte bewijsbeslag te leggen met betrekking tot het Octrooi; d) Liftra veroordeelt tot betaling aan Liftoff c.s. van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van EUR 500.000,- (vijfhonderdduizend euro) per gehele of gedeeltelijke overtreding van één of meer van de ge- en verboden als genoemd onder b) en c) door Liftra voor elke dag, of een gedeelte daarvan, dat de overtreding voortduurt;
subsidiaire) het beslag beperkt en gedeeltelijk opheft; f) Liftra veroordeelt tot hetgeen hiervoor onder b) tot en met d) is opgenomen met betrekking tot het gedeelte van het beslag dat wordt opgeheven;
g) Liftra veroordeelt in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten van het geding als bedoeld in art. 1019h Rv, alsmede in de gebruikelijke nakosten (zowel zonder als met betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.
3.6.
Lift-off c.s. legt aan haar vorderingen primair ten grondslag dat het beslag van rechtswege is komen te vervallen en dat het beslag dient te worden opgeheven omdat de vorderingen van Liftra ondeugdelijk zijn en omdat het beslag onnodig is vanwege het ontbreken van de vereiste proportionaliteit en subsidiariteit. Subsidiair stelt Lift-off c.s. dat, indien de voorzieningenrechter zou oordelen dat er wel enige gegevens beslagen en in bewaring zouden moeten blijven, het beslag moet worden beperkt tot informatie over de beweerdelijke inbreuk op het Octrooi.
3.7.
Liftra voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.
3.8.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.
Beoordeling
In conventie en in reconventie
Bevoegdheid
4.1.
De voorzieningenrechter is in conventie internationaal en relatief bevoegd op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo en artikel 80 lid 2 sub c ROW, aangezien Liftoff c.s. in Nederland zijn gevestigd. Voor wat betreft de vordering in reconventie is de voorzieningenrechter internationaal bevoegd op grond van artikel 9 lid 3 Brussel I bis-Vo en relatief op grond van artikel 705 lid 1 Rv bevoegd van het geschil kennis te nemen.
In conventie verder
Spoedeisend belang
4.2.
Liftra heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen, nu zij stelt dat de gevorderde bescheiden betrekking hebben op een vermeende inbreuk door Liftoff c.s. op het Octrooi en zij daartegen wenst op te treden. Dat op 18 november 2024 bewijsbeslag is gelegd en op 21 maart 2025 de dagvaarding in de onderhavige zaak is betekend, maakt niet dat Liftra door tijdsverloop geen spoedeisend belang meer zou hebben bij haar vorderingen.
Oud of nieuw bewijsrecht
4.2.
Anders dan door Liftoff c.s. is betoogd, dient het verzoek tot inzage van Liftra te worden getoetst aan artikel 194 e.v. (nieuw) Rv op grond van het toepasselijke overgangsrecht, nu de dagvaarding is betekend op 21 maart 2025. De datum van het beslagrekest doet niet terzake, nu de onderhavige procedure een op zich staande procedure is, ingeleid door de dagvaarding van 21 maart 2025. De voorzieningenrechter zal in het vervolg van dit vonnis de wetsartikelen noemen zoals deze gelden met ingang van 1 januari 2025.
4.3.
Hoewel de procedure is ingeleid met een dagvaarding in plaats van een verzoekschrift (artikel 194 lid 1 Rv spreekt immers over een verzoek) is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet nodig – mede gelet op de proceseconomie – om ingevolge artikel 69 Rv te bevelen dat Liftra het stuk waarmee de procedure is ingeleid, te verbeteren. Daarbij is van belang dat inzage ook bij dagvaarding in de bodemprocedure (als incident) kan worden gevorderd en Liftoff c.s. bovendien een reconventionele vordering heeft ingediend, hetgeen in de verzoekschriftprocedure niet tot de mogelijkheden behoort. Tegen het instellen van de reconventionele vordering is door Liftra geen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter zal in het petitum in conventie voor ‘verzoek’ lezen ‘vordering/vordert’ en voor ‘beschikking’ lezen ‘vonnis’.
Main shaft fixture
4.4.
Partijen gebruiken verschillende benamingen voor het product dat wordt beschreven in het Octrooi. De voorzieningenrechter zal de inrichting zoals hiervoor onder 2.8 beschreven hierna aanduiden als onderstel of crane base. Voordat de zelfhijsende kraan (bijvoorbeeld de LT1000 kraan of de GenHook kraan) in de gondel (‘nacelle’) kan worden bevestigd, wordt het voor het desbetreffende merk/type windturbine geschikte onderstel (‘crane base’) in de gondel (‘nacelle’) opgebouwd. Onderdeel van dit onderstel (‘crane base’) volgens het Octrooi zijn een hoofdasklem (‘main shaft fixture’) met een geïntegreerde rotorvergrendeling en de montagepunten voor een zelfhijsende kraan.
In conventie
Inzage/Afschrift
4.5.
Aan de toewijsbaarheid van een op artikel 194 en 195 Rv gebaseerde inzagevordering zijn drie cumulatieve voorwaarden verbonden: 1) de eiser moet voldoende belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift, 2) het moet gaan om bepaalde gegevens en 3) de vordering moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser partij is. Ten aanzien van deze laatste eis is van belang dat artikel 1019a lid 1 Rv bepaalt dat een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom geldt als een rechtsbetrekking.
4.5.1.
Uit de Memorie van Toelichting volgt dat onder het nieuwe bewijsrecht voor zaken betreffende intellectuele eigendom geen lagere drempel is gaan gelden voor wat betreft het vereiste van het bestaan van een rechtsbetrekking. Hiervoor geldt onverminderd dat degene die inzage, afgifte of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt zodanige feiten en omstandigheden stelt en met het reeds voorhanden bewijsmateriaal onderbouwt, dat voldoende aannemelijk is dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt. Er dient sprake te zijn van een reële vordering. Voor het antwoord op de vraag wat als een “voldoende” mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, komt het aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij hanteert de voorzieningenrechter het uitgangspunt dat in ieder geval voldoende is voor toewijzing dat eiser zodanige concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd dat daaruit, ook gelet op de betwisting door de wederpartij en de reactie daarop van eiser, een redelijk vermoeden van (dreigende) inbreuk kan volgen.
4.5.2.
Degene die over de gegevens beschikt, is verplicht daarvan inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten (artikel 194 lid 2 sub a en b Rv). Deze laatste uitzonderingsgrond (sub b) is - net als het gelijkluidende lid 4 van artikel 843a lid 4 (oud) Rv - op grond van artikel 1019a lid 3 Rv nog steeds niet van toepassing in zaken betreffende intellectuele eigendom.
4.5.3.
Indien aan al deze voorwaarden is voldaan, wijst de rechter ingevolge lid 3 van artikel 1019a Rv desondanks de vordering af indien de bescherming van vertrouwelijke informatie niet is gewaarborgd.
LiftWerx
4.6.
Liftra duidt gedaagden in de stukken gezamenlijk aan met “LiftWerx” en schaart hieronder tevens LiftWerx Solutions en LiftWerx Holdings, beide gevestigd in Canada. De voorzieningenrechter benadrukt dat het in deze procedure gaat over het (vermeend inbreukmakend) handelen van Liftoff-MCE, Kenz Crane en Kenz Cranes Services en dat de handelingen van andere buiten Europa gevestigde juridische entiteiten niet één op één aan gedaagden kunnen worden toegerekend op basis van de enkele omstandigheid dat de LiftWerx bedrijven zich tot augustus 2024 (toen Liftoff-MCE werd gerebrand) naar buiten toe presenteerden als een groep, bedrijven onderling samenwerken en personen werkzaam bij één van gedaagden als uitvinder staan vermeld op sommige octrooi-aanvragen (andere dan de onder 3.2 genoemde) van Liftwerx Holdings. Ten laste van Liftoff c.s. is het verlof tot het leggen van bewijsbeslag verleend en het beslag gelegd. Om inzage in de beslagen gegevens te verkrijgen dient Liftra per gedaagde zodanige feiten en omstandigheden te stellen en met het reeds voorhanden bewijsmateriaal te onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat door handelingen van die gedaagde inbreuk op het Octrooi is gemaakt dan wel dreigt te worden gemaakt. Anders dan door Liftra betoogd, is de enkele omstandigheid dat door de beslagrechter verlof is verleend, onvoldoende om de aannemelijkheid van een vorderingsrecht jegens alle gedaagden aan te nemen.
Conclusie
4.23.
Uit het voorgaande volgt – in onderling verband en samenhang bezien – dat Liftra voorshands onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat in Nederland dan wel één van de andere in het Octrooi aangewezen landen in Europa door één van de gedaagden voorbehouden handelingen zijn verricht dan wel dreigen te worden verricht, die inbreuk (dreigen te) maken op het Octrooi van Liftra. Voor zover LiftWerx Solutions in Canada door de aanpassingen aan de crane base op de LinkedIn-foto handelingen heeft verricht die zouden kunnen beantwoorden aan (een of meer van) de conclusies van het Octrooi, is voorshands onvoldoende aannemelijk dat Liftoff c.s. hierin enige betrokkenheid heeft (door de aanpassingen te verrichten in Nederland, dan wel door gebruik te maken van de vermeend inbreukmakende crane base in Nederland dan wel in één van de andere in het Octrooi aangewezen landen in Europa). Ook de vergelijking van het Octrooi met de door LiftWerx Holdings aangevraagde octrooien kan Liftra in dit kort geding niet baten. Los van het feit dat niet is gebleken dat gedaagden enige betrokkenheid hebben bij deze octrooi-aanvragen (zij zijn niet de aanvrager noch de uitvinder), vormt het aanvragen van een octrooi geen voorbehouden handeling in de zin van artikel 53 ROW of vergelijkbare nationale wetgeving van de andere in het Octrooi aangewezen landen. In het licht van het voorgaande komt de voorzieningenrecht niet meer toe aan de vraag of de elementen op de LinkedIn-foto beantwoorden aan de conclusies van EP 639.
4.24.
Voor zover tijdens de mondelinge behandeling door Liftra nog is gesteld, dat zij ook belang heeft bij de inzage ter onderbouwing van inbreuk op het Octrooi in Canada, strandt dit reeds op het feit dat Liftra zich in deze procedure alleen heeft beroepen op een Europees Octrooi en alleen ten laste van de Nederlandse gedaagden beslag heeft gelegd.
4.25.
Bij de vordering tot inzage van de gedetailleerde beschrijvingen heeft Liftra geen belang meer, nu zij deze reeds heeft kunnen inzien.
4.26.
De vorderingen in conventie worden dan ook afgewezen.
In reconventie verder
4.27.
Haar vordering tot opheffing van de gelegde beslagen grondt Liftoff c.s. allereerst op de stelling dat het beslag van rechtswege zou zijn vervallen, nu de eis in de hoofdzaak niet binnen de op grond van artikel 1019i Rv bepaalde termijn zou zijn ingesteld. Deze grondslag strandt reeds, omdat Liftoff c.s. geen daartoe strekkende verklaring bij de griffie heeft ingediend ex artikel 1019i Rv. Het verzoek tijdens de mondelinge behandeling haar conclusie van antwoord als zodanig aan te merken, kan haar niet baten. Voor zover dit al mogelijk zou zijn, geldt dat in de conclusie geen verklaring is opgenomen dat de voorlopige voorziening haar kracht heeft verloren omdat de eis in de hoofdzaak niet binnen de 1019i Rv-termijn is ingesteld. Liftoff c.s. heeft hierin immers de onjuiste stelling ingenomen dat het beslag van rechtswege zou zijn vervallen. Wat er verder ook zij van de discussie tussen partijen of een inzagevordering in kort geding volgend op een bewijsbeslag als vordering in de hoofdzaak ex artikel 1019i Rv kan worden aangemerkt, geldt dat inmiddels de dagvaarding in de bodemprocedure is betekend terwijl het beslag nog niet was vervallen door een daartoe strekkende verklaring bij de griffie.
4.28.
Als tweede grondslag heeft Liftoff c.s. opgeworpen dat het beslag dient te worden opgeheven, nu summierlijk van de ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag is gebleken. Ook deze grondslag faalt.
4.29.
Dat niet is voldaan aan de vereisten voor inzage betekent niet mutatis mutandis dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht is gebleken. De drempel om een verlof tot bewijsbeslag af te geven ligt relatief laag. Zoals volgt uit de overwegingen in conventie staat tussen partijen vast dat de componenten op de LinkedIn-foto behoren bij een crane base geschikt voor onderhoud aan een GE 1.6 MW windturbine, die vermeend inbreuk maakt op het Octrooi. Bovendien volgt uit het procesdossier dat er een vermoeden is dat ook in Europa door Liftoff c.s. aanbiedingen worden gedaan om dit type windturbine te onderhouden. Dat dit vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden voor toewijzing van de exhibitie, betekent niet dat het vermoeden is ontzenuwd. Het onderhoud aan GE turbines kan volgens Liftra alleen met een crane base die beantwoord aan de conclusies van het Octrooi, hetgeen door Liftoff c.s. vooralsnog onvoldoende is weersproken. Gelet hierop is vooralsnog niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering gebleken. De vordering tot opheffing van het bewijsbeslag wordt daarom afgewezen. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. De beslagen gegevens bestaan uit kopieën, Liftoff c.s. kan zelf onverminderd over de originelen beschikken. Hoewel Liftoff c.s. stelt dat zij hinder ondervindt van het bewijslag wegens het mogelijk lekken van bedrijfsvertrouwelijke informatie, heeft zij nagelaten die te onderbouwen. Voor de bewaring van de inbeslaggenomen gegevens is een neutrale bewaarder aangesteld en er is geen aanleiding om aan te nemen dat die bewaarder informatie zal lekken. De belangenafweging valt daar op dit punt in het voordeel van Liftra uit.
4.30.
Een en ander geldt eveneens voor de subsidiair gevorderde beperking van het bewijsbeslag, zodat ook die subsdiaire vorderingen worden afgewezen.
4.31.
Gelet op het voorgaande worden zowel de primaire als subsidiaire reconventionele vorderingen afgewezen.
In conventie en reconventie
Proceskosten
4.32.
Liftra zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij in de kosten in conventie van Liftoff c.s. worden veroordeeld. Liftoff c.s. zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de kosten in reconventie van Liftra worden veroordeeld
4.33.
De onderhavige zaak is een zaak ter handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat zij overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de proceskosten, te weten € 40.000,- in totaal voor de conventie en de reconventie. De voorzieningenrechter kent 90% (€ 36.000,-) van dit bedrag toe aan de conventie en 10% (€ 4.000,-) aan de reconventie. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De voorzieningenrechter
In conventie
5.1.
wijst de vorderingen in conventie af;
5.2.
veroordeelt Liftra in de proceskosten van € 36.000,-, te betalen binnen veertien dagen aan Liftoff c.s. na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
In reconventie
5.3.
wijst de vorderingen in reconventie af;
5.4.
veroordeelt Liftoff c.s. in de proceskosten van € 4.000,-, te betalen binnen veertien dagen aan Liftra na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordelingen in conventie en reconventie, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Overbeek en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025.
Screenshot van 7 februari 2024, productie EP23
Screenshot van 13 februari 2024, EP24
Zie onder meer par. [0013] van het Octrooi
Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (de herschikte EEX-Vo)
Rijksoctrooiwet 1995
Zie Kamerstukken II 2019/2020, 35498, MvT, nr. 3, p. 47: "Naar aanleiding van enkele consultatiere-acties wordt opgemerkt dat de partij die om inzage verzoekt, niet eerst voldoende aannemelijk hoeft te maken dat zij een vorderingsrecht heeft, zoals in zaken van intellectuele eigendom (IE-zaken) is vereist. Die eis hangt samen met dit specifieke rechtsgebied en artikel 1019a dat de implementatie vormt van artikel 6 van de Handhavingsrichtlijn (Richtlijn 2004/48/EG, PbEG 2004, L 195/16)."
Zie HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB/Novisem) en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (Synthon/Astellas)
Beoordeling
Het verlof wordt immers verleend zonder gedaagden te horen, terwijl in deze procedure verweer is gevoerd tegen de door Liftra aangevoerde feiten en omstandigheden, die de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de inzagevordering dient mee te wegen.
Rechtsbetrekking
4.7.
De voorzieningenrechter kan de vraag of het Octrooi voorshands nietig moet worden geacht, onbeantwoord laten nu zij tot het voorlopig oordeel komt dat Liftra, tegenover de gemotiveerde en onderbouwde betwisting door Liftoff c.s., voorshands onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat gedaagden inbreuk (dreigen te) maken op het Octrooi van Liftra, zodat de voor inzage vereiste rechtsbetrekking voorshands ontbreekt. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
4.8.
Kern van het betoog van Liftra is de LinkedIn-foto bij het bericht dat in de zomer van 2022 op het account van LiftWerx is geplaatst (zie 2.14).
4.9.
Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat op de foto delen van de in 2016 door Liftra USA aan LiftWerx Solutions geleverde crane base voor de GE 1.5 windturbine (zie 2.11) is te zien. Waar eerst nog in geschil was of het typeplaatje op de kraan op de foto van Liftra was, is tijdens de mondelinge behandeling door Liftra erkend – mede naar aanleiding van foto’s van het typeplaatje in de tweede verklaring van [naam 1] (president van LiftWerx Solutions), hierna: [naam 1] – dat dit inderdaad het typeplaatje van Liftra is.
4.10.
Liftoff c.s. heeft aangevoerd dat de LinkedIn-foto in Canada is genomen. Dit volgt volgens Liftoff c.s. uit de verklaringen van [naam 1] dat hij de LinkedIn-foto op 13 juli 2022 heeft gemaakt met zijn mobiele telefoon in de werkplaats van LiftWerx Solutions te Cambridge, Canada. In zijn tweede verklaring heeft hij een screenshot van de foto op zijn telefoon opgenomen, waaruit de datum van 13 juli 2022 volgt:
Tevens beschrijft hij elementen van de werkplaats in Canada die ook te zien zijn op de foto (de groene railing). Dit wordt ook bevestigd in de verklaring van [naam 2] , die een foto van de werkplaats met de groene railing heeft opgenomen:
Gelet op het voorgaande gaat de voorzieningenrechter er voorshands van uit dat de LinkedIn-foto in Canada is genomen en de op de LinkedIn-foto zichtbare onderdelen zich op dat moment (13 juli 2022) dus in Canada bevonden.
4.11.
Tussen partijen staat verder vast dat op de foto elementen van een crane base zichtbaar zijn die door Liftra niet worden herkend als onderdelen van het door Liftra USA geleverde crane base voor de GE 1.5 windturbine. [naam 1] heeft hierover verklaard dat LiftWerx Solutions ‘modified certain components of Liftra’s main shaft fixture to better meet its needs’. Daarnaast heeft hij verklaard dat de zwarte componenten linksboven op de foto geen onderdelen van Liftra zijn maar dat deze ‘were designed at Liftwerx’request to allow the Liftra main shaft fixture to be adapted for use on other GE turbines’. Dit komt overeen met de constatering van de heer [naam 3] (CEO en mede-oprichter van Liftra), hierna: [naam 3] , dat deze zwarte onderdelen overeenkomen met onderdelen van een crane base voor de GE 1.6 MW turbines. Los van de vraag of de elementen op de LinkedIn-foto beantwoorden aan de conclusie van EP 639, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat Liftra geen voorbehouden handelingen in Nederland aannemelijk heeft gemaakt. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt
4.12.
Liftra heeft zich op het standpunt gesteld dat KenzFigee) alle kranen en onderdelen voor Liftoff en LiftWerx Solutions in Nederland produceert, dus ook de aangepaste / nieuwe componenten op de LinkedIn-foto. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst zij naar de verklaring van [naam 3] , inhoudende voor zover hier van belang:
26. I know for a fact that LiftWerx produces all components of its products, both the cranes and base systems, in the Netherlands. The components, including main shaft fixtures with rotor locks are produced in the Netherlands by their sister-company KenzFigee. From the Netherlands, the LiftWerx products are transported to various parts of Europe and shipped to other parts of the world, including the US and Canada, where they are used to perform services on wind turbines.
27. This is common knowledge in the industry, and both LiftWerx and KenzFigee actually publicly state this online in several LinkedIn posts (evidence of which is included in the request).
28. Moreover, this has been explicitly confirmed by several employees of LiftWerx and KenzFigee: both on a confidential level by the former LiftWerx employee I mentioned before, and by a current employee of KenzFigee that my colleague [naam 4] spoke with at a conference he attended a few months ago (a declaration regarding this conversation is included as Annex A).
4.13.
De Annex A verklaring luidt:
“My name is [naam 4] and I am a sales manager at Liftra. From 24 - 26 April of this year, 1 attended the Floating Offshore Wind Turbines (FOWT) conference in Marseille, France. This annual conference is attended by all the industry leaders in (offshore) wind energy, including LiftWerx, KenzFigee and Liftra. At the FOWT conference, 1 spoke with [naam 5] , Manager Business Development at KenzFigee. During our conversation, 1 asked mr. [naam 5] where KenzFigee manufactures its products. Mr. [naam 5] explained that KenzFigee manufactures the cranes and base systems for all its clients at their manufacturing facility in Zaandam, the Netherlands.”
4.14.
Voor de waardering van deze verklaringen is van belang, dat KenzFigee en Liftoff-MCE zustervennootschappen zijn en ook LiftWerx in Canada in verschillende LinkedIn-berichten (zie 2.5 en 2.6) als behorende tot de Meemaken groep worden aangeduid. Hoewel uit de verklaring van [naam 4] niet meer volgt dan dat KenzFigee één productielocatie heeft, namelijk in Zaandam, waar zij voor al haar klanten produceert, zou uit de samenwerkingen binnen één concernverband het vermoeden kunnen worden afgeleid dat KenzFigee alle kranen en onderdelen daarvan voor de LiftWerx-bedrijven (in Canada en USA) en Liftoff-MCE produceert in Nederland.
4.15.
Daartegenover heeft [naam 1] verklaard dat “These black components and Liftwerx’ modified rotor lock were manufactured in Canada. None of these components were manufactured in Europe, nor were they manufactured by Liftoff.” Dit heeft [naam 1] bevestigd in een tweede verklaring, waarbij hij tevens een deels zwartgemaakte factuur heeft gevoegd, waarop van de afzender alleen nog zichtbaar is dat hij in Ontario is gevestigd. De omschrijving van de werkzaamheden op de factuur luidt – voor zover hier van belang –:
4.16.
Daarnaast hebben de heer [naam 6] (Managing Director of Liftoff-MCE), hierna: [naam 6] , en de heer [naam 7] (CEO of KenzFigee), hier: [naam 7] , beiden verklaard dat Liftoff-MCE noch KenzFigee de componenten op de LinkedIn-foto hebben geproduceerd.
4.17.
Tegenover deze gemotiveerde betwisting door Liftoff c.s. heeft Liftra derhalve voorshands niet aannemelijk gemaakt dat de op de LinkedIn-foto aangepaste / nieuwe componenten in Nederland door Liftoff c.s. zijn geproduceerd en vervolgens naar Canada zijn verscheept.
4.18.
Hetzelfde lot treft de stelling van Liftra dat deze op onderdelen aangepaste crane base van de LinkedIn-foto door Liftoff-MCE wordt dan wel dreigt te worden gebruikt voor werkzaamheden aan GE windturbines in Nederland / Europa.
Beoordeling
4.19.
Ook dit standpunt heeft Liftra onderbouwd met de verklaring van [naam 3] , waarin staat, voor zover hier van belang:
“5. At Liftra, we first became aware of the fact that LiftWerx is copying our product, when we noticed that LiftWerx started participating in, and competing with Liftra for, tenders for big projects in i.a. Europe and the US. The projects in question involved the maintenance of a large number of GE 1.5 MW and GE 1.6 MW turbines. The tenders LiftWerx has been participating in, are of such scale that these projects would be impossible to carry out with only two main shaft fixtures with rotor locks.
6. Furthermore, we know that LiftWerx is operating two LT1000 cranes including base sytems on a project in the US. This project includes the replacement of the gear boxes of 30 turbines each year, requiring the LT1000 cranes to operate full time. This means that these two cranes are not available for use in other projects and that LiftWerx must therefore be in possession of additional cranes and base systems to be able to execute the projects for which they participate in tenders.”
4.20.
Liftoff c.s. heeft – bij monde van [naam 6] – tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij niet hebben deelgenomen aan tenders voor onderhoudsprojecten van GE windturbines in Nederland / Europa en ook geen onderhoud aan dit merk windturbines heeft verzorgd dan wel verzorgt in Nederland / Europa. In zijn schriftelijke verklaring van 8 mei 2025 zegt hij hierover:
“5. Liftoff-MCE does not use, and has never used, any of the main shaft fixture components visible in the LinkedIn Photo. These components have never been owned by Liftoff-MCE, nor have they otherwise been in Liftoff-MCE’s possession or control.
6. In addition, Liftoff-MCE does not own or use (nor has otherwise had the possession or control of), and has never done so, any main shaft fixture having a secondary rotor lock. To my knowledge, only GE turbines require the use of a secondary rotor lock, and only when a gearbox needs to be exchanged (or for similar repairs). Other wind turbine types (e.g., Vestas, Siemens, Senvion, etc.) do not require the use of main shaft fixtures having a secondary rotor lock.
7. Among turbines that require a main shaft fixture, only Siemens 2.3MW and Senvion MM82/92 turbines are currently serviced by Liftoff-MCE in Europe. Liftoff-MCE does not service, and has never serviced, any GE turbines in Europe. Other turbine types serviced by Liftoff-MCE (Vestas and Siemens) are fitted with different bearing systems that hold the main shaft down by itself or the gearbox stays in place keeping the main shaft down, therefore not requiring a main shaft fixture.”
4.21.
Op nadere vragen tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam 4] , aanwezig namens Liftra, verklaard dat ‘men in de markt weet wie er meedingt’ en ‘niet bekend is dat er een onderhoudsproject van GE windturbines in Europa ook daadwerkelijk is gegund aan Liftoff-MCE’. Nu de stelling dat Liftoff-MCE onderhoud voor GE windturbines aanbiedt (waarvoor volgens de stelling van Liftra een crane base nodig is, die beantwoordt aan de conclusies van EP 639) niet met meer is onderbouwd dan geluiden uit de markt en van horen zeggen van anoniem gebleven klanten van Liftra, is – tegenover de gemotiveerde betwisting van Liftoff c.s. – voorshands onvoldoende aannemelijk dat Liftoff-MCE in Nederland voorbehouden handelingen heeft gemaakt (door het aanbieden van de onderhoudsdiensten dan wel het uitvoeren van die diensten met vermeend inbreukmakende crane bases).
De tijdens het beslag aangetroffen producten
4.22.
Daarbij komt dat tijdens de beslaglegging tevens de bij gedaagden aangetroffen producten zijn beschreven door een octrooigemachtigde. De advocaat van Liftra heeft de door opgemaakte gedetailleerde beschrijvingen inmiddels ongeredigeerd ingezien (zie 2.17). Tussen partijen is niet in geschil dat de bij gedaagden aangetroffen en beschreven producten niet beantwoorden aan de conclusies van en derhalve geen inbreuk maken op EP 639.