Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:17775
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,811 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.14251
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. I.M. Hidding),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. T. Tichelaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser stelt dat hij is geboren op [2005] en de Marokkaanse nationaliteit heeft. Hij heeft op 8 juli 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Elphai als tolk en de gemachtigde van de minister. Verder was aanwezig namens eiser: [A] , voorzitter van LHBT [stichting] .
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt – kort gezegd – aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij niet kan terugkeren naar Marokko omdat hij homoseksueel is.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
homoseksuele geaardheid.
6. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De homoseksuele geaardheid van eiser acht de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser voldoet daarmee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De minister heeft daarover het volgende opgemerkt:
eiser geeft onvoldoende inzicht in zijn seksuele gerichtheid;
er zijn weinig tot geen authentieke verklaringen van eiser omtrent relatie en ervaringen;
eiser heeft vaag verklaard over het bezoek aan een homocafé;
eiser heeft zich niet verder verdiept (in de situatie van LHBTI), ondanks dat hij al ruime tijd in Nederland is;
eiser heeft weinig kennis over de situatie (van LHBTI) in Marokko.
Dat eiser afkomstig is uit Marokko is volgens de minister geen aanleiding om een verblijfsvergunning aan eiser te verlenen. Uit bijlage 13 bij het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en de herbeoordeling van 8 juni 2023 blijkt namelijk dat Marokko in het algemeen als een veilig land van herkomst wordt gezien. Dat geldt niet voor (onder andere) LHBTI, maar eiser behoort niet tot deze uitzonderingsgroep, omdat zijn homoseksualiteit ongeloofwaardig wordt geacht. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
De geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid
Het beoordelingskader
7. Eiser voert aan dat het toetsingskader, zoals dat is neergelegd in Werkinstructie (WI) 2024/6 en paragraaf C1/4.4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 in strijd is met het Unierecht. Volgens eiser past de minister de voorwaarden in artikel 31, zesde lid, van de Vw
- die zijn overgenomen uit artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn (Kri) - toe als sluitstuk van de geloofwaardigheidsbeoordeling: als hieraan niet wordt voldaan, dan acht de minister het asielrelaas zonder meer ongeloofwaardig. Volgens eiser is dat een onjuiste lezing van artikel 4, vijfde lid, van de Kri. Eiser wijst daartoe onder andere op de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136, en het advies “De geloofwaardigheid gewogen” van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken van mei 2016.
8. De rechtbank overweegt als volgt. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057, geoordeeld dat zij geen grond ziet voor het oordeel dat de toepassing van de WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling (r.o. 7.1). De rechtbank heeft daarbij overwogen dat er wat betreft stap 2b (de toets aan vijf voorwaarden als de vreemdeling het asielmotief niet voldoende heeft onderbouwd met objectieve bewijsstukken) wel situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4 van de Kri. De rechtbank heeft in dat verband onder meer gewezen op de situatie dat de minister een asielmotief ongeloofwaardig acht enkel en alleen omdat de vreemdeling zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft gedaan en daarvoor geen goede reden heeft gegeven, en een situatie waarin de minister niet-objectief bewijsmateriaal onvoldoende
betrekt bij de geloofwaardigheidsbeoordeling (r.o. 7.2). In het geval van eiser doen deze situaties zich niet voor. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser heeft beoordeeld en deze verklaringen ongeloofwaardig vindt, omdat deze geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Om die reden is de gestelde homoseksualiteit van eiser ongeloofwaardig geacht. De beoordeling van de verklaringen van eiser hebben dan ook een prominente rol gekregen bij de besluitvorming. In het bestreden besluit is in zoverre terecht opgemerkt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling in deze zaak hetzelfde is als toen WI 2014/10 nog werd toegepast. De minister heeft in dat verband op de zitting ook opgemerkt dat er, hoewel dit niet expliciet uit WI 2024/6 volgt, nog steeds een integrale geloofwaardigheidstoets is en wordt verricht. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat de beoordeling in zijn zaak in strijd is met het Unierecht. De beroepsgrond slaagt niet.
Het referentiekader en de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser
9. Eiser stelt dat de minister zijn referentiekader onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken en dus onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn homoseksualiteit ongeloofwaardig is. Wat betreft zijn referentiekader voert eiser aan dat hij 15 jaar oud was toen hij aankwam in Nederland, en pas net 18 jaar oud was ten tijde van het aanvullend gehoor van 5 juni 2024. Verder is eiser in het verleden seksueel misbruikt, waardoor hij getraumatiseerd is. De psychische problemen van eiser speelden ook ten tijde van het aanvullend gehoor. [medische groep] had voorafgaand aan het gehoor van 5 juni 2024 geadviseerd dat eiser niet gehoord kon worden, maar eiser kon de druk niet meer aan en wilde desondanks gehoord worden. Eiser had op 5 april 2024 nog medische informatie naar de minister verzonden, waaruit blijkt dat hij in beeld is bij de GGZ en 4-5x per dag 300 mg pregabaline gebruikt. Verder is hij meerdere keren van AZC naar AZC overgeplaatst, waar hij meestal tussen mannelijke landgenoten verbleef, zich niet veilig voelde en zijn homoseksualiteit verborgen moest houden. Hij heeft nooit geleerd om over gevoelens te praten. Eiser is analfabeet en komt uit een cultuur waarin homoseksualiteit vooral wordt geassocieerd met verboden seks en niet met liefde. Volgens eiser heeft de minister dit referentiekader niet/onvoldoende betrokken bij de punten die aan hem worden tegengeworpen. Eiser heeft in dit kader een rapport van [A] overgelegd, waarbij onder meer ook screenshots van zijn contact met een man uit Amsterdam en een melding door LGBT [stichting] bij het COA zijn gevoegd.
10. De rechtbank overweegt als volgt. In het voornemen is niet expliciet benoemd wat het referentiekader is. In het bestreden besluit stelt de minister dat uit het voornemen, p. 5, blijkt dat rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Op p. 5 van het voornemen staat:
“In de afweging over uw verklaringen over gevoelens is meegenomen dat u niet geschoold bent maar enkel naar een voorschoolse opvang bent gegaan en wat hebt kunnen leren in een moskee waar u bent opgevangen. Ook is meegenomen dat u hebt gesteld in het verleden te zijn misbruikt en dat er sprake is van psychische problemen. Hierdoor wordt minder gewicht gehangen aan uw soms wisselende en tegenstrijdige verklaringen. Ook valt in te zien dat u door uw gestelde verleden en psychische gesteldheid, in combinatie met medicijn- en drugsgebruik, minder bij uw gevoelens kunt.
Echter hebt u in het aanvullend nader gehoor verklaard dat u nu meer zelfvertrouwen hebt, u beter over uw gevoelens kunt verklaren en meer ervaring op hebt gedaan met mannen.
Conclusie
20. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een
betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
20.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken.
20.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 26 maart 2025;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 juni 2025
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Beoordeling
U bent daarnaast inmiddels al ruim drie jaar in
Nederland, waardoor u voldoende tijd hebt gehad om tot ontplooiing te komen. Daarom mag worden verwacht dat u tenminste ten opzichte van het schriftelijk gehoor beter over uw persoonlijke gevoelens en op een authentieke manier over uw ervaringen kunt verklaren, juist nu u deze ontwikkeling zegt te hebben doorgemaakt.”
Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee nog onvoldoende duidelijk van welk referentiekader de minister uitgaat. Eiser heeft er terecht op gewezen dat niet duidelijk is of, en zo ja welk gewicht er door de minister aan tegenstrijdige verklaringen wordt toegekend. Ook kan de rechtbank niet goed volgen dat eiser, gelet op zijn verklaringen in het aanvullend gehoor (in weerwil van zijn misbruikverleden en psychische situatie), beter over zijn gevoelens zou kunnen verklaren. Uit het verslag van het aanvullend gehoor (p. 7 en 8) blijkt het volgende:
“V: Wat is er afgelopen jaar in jouw hoofd gebeurd dat jij nu meer duidelijkheid hebt over wat jouw geaardheid is?
A: Vorig jaar had ik heel veel schaamte. Ik kon niet in het openbaar dingen vertellen, tenminste waar ik mee ging praten. Nu heb ik meer vertrouwen in mijzelf heb gekregen, waardoor ik meer kan vertellen. Nogmaals, alleen hier.
V: Ik probeer het een beetje te begrijpen. Begrijp ik goed dat je de vorige keer ook al wist wat jouw geaardheid was, maar dat je het nog moeilijk vond om over te praten?
A: Ik wist het wel, maar ik was toen ook ziek. Ik voelde me niet goed. Ik hield alles binnen. Ik kon niets uiten.
V: Is er iets gebeurd dat jij er nu beter over kan praten en er minder schaamte over hebt?
A: Door allerlei problemen die spelen, vooral de laatste tijd, kan ik niet meer dingen binnen houden. Ik wil vertellen. ik heb de specialist sinds vijftien dagen niet meer gesproken.
V: Eerst vond je het moeilijk om over te praten, nu wil je het niet meer binnen houden. Hoe is dat veranderd?
A: Ik weet het eerlijk gezegd niet. Wellicht omdat ik veel meer met jongens ben dan voorheen. Waardoor ik vertrouwen heb opgebouwd, maar ik weet het gewoon niet. V: Praat jij wel eens met andere mensen, buiten de IND om, over jouw seksualiteit? A: Nee.
V: Ik begreep dat jij het wel aan jouw advocaat en voogd hebt verteld. Praat jij wel eens met jouw specialist over jouw seksualiteit?
A: Ja, ik heb hier met haar over gesproken, zeker. Het is niet uitgebreid geweest, iedere keer gaat ze verder met de behandeling, maar het kwam wel vaker voor in het gesprek, over mijn geaardheid.”
Hoewel eiser verklaart dat hij meer vertrouwen heeft gekregen in zichzelf, blijkt ook dat hij verder met niemand (uitgebreid) over zijn seksualiteit heeft gesproken. Ook verklaart eiser meermaals dat hij nog steeds angstig is en zijn gevoelens geheim houdt. Op p. 23 van het aanvullend gehoor verklaart eiser over waarom hij nu beter kan praten: “De angst is hier minder dan op het AZC.” Naar het oordeel van de rechtbank had de minister de angst van eiser daarom ook als onderdeel van zijn referentiekader moeten betrekken. Dat geldt ook voor de omstandigheden waarin eiser in Nederland heeft verbleven (in asielzoekerscentra, waar hij zich niet veilig voelde) en zijn jonge leeftijd. De rechtbank stelt verder vast dat de minister niet betwist dat eiser in de Westelijke Sahara bij nomadenstammen leefde. Eiser heeft verklaard dat hij daar drie keer door mannen is verkracht. Ook dat is onderdeel van eisers referentiekader.
11. De minister werpt eiser tegen dat hij onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn seksuele gerichtheid. Volgens de minister zijn onder meer de verklaringen: "Het is eigenlijk overduidelijk dat gevoelens van binnen genoeg zeggen, op het moment dat ik bij mannen ben, wat ik dan voel. Als ik bij vrouwen ben, voel ik totaal niet dezelfde gevoelens. Ik weet niet hoe ik dit moet uitleggen.” (p. 7 aanvullend gehoor) en “Als die persoon goed en leuk genoeg is, dan heb je een relatie op een gegeven moment” (p. 10) te oppervlakkig. Ook heeft eiser volgens de minister beaamd dat de fijnere gevoelens bij mannen alleen seksuele gevoelens betreffen (p. 25). De rechtbank overweegt hierover als volgt. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 10 is toegelicht, kan de rechtbank zonder nadere motivering niet goed volgen waarom van eiser gezien zijn referentiekader verwacht zou mogen worden dat hij beter over zijn gevoelens zou kunnen verklaren dan hij in het aanvullend gehoor heeft gedaan. Eiser heeft verklaard dat hij als hij met jongens omgaat een “heel mooi gevoel” heeft, dat hij zich “ontzettend prettig” en “rustig” bij hen voelt en dat zijn gevoelens van binnen genoeg zeggen op het moment dat hij bij mannen is (p. 6 en 7). Hiermee geeft eiser in ieder geval enig inzicht in zijn gevoelens. Dat eiser heeft bevestigd dat het louter seksuele gevoelens betreffen, betekent niet dat hij niet homoseksueel is. Eiser heeft in dit verband terecht gewezen op de interne begrippenlijst van de IND, waarin bij de uitleg van seksuele geaardheid ook fysieke aantrekking wordt genoemd. Verder noemt de minister zelf dat eiser heeft verklaard dat hij niet homoseksueel wilde zijn, omdat het volgens zijn godsdienst haram is, dat het niet mogelijk is om hiervoor behandeld te worden, en dat hij dit zelf heeft geprobeerd door zowel met jongens als meisjes gemeenschap te hebben. Eiser geeft hiermee ook enig inzicht in de beleving van zijn geaardheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister gelet op het voorgaande onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid niet authentiek en – gelet op zijn referentiekader – onvoldoende diepgaand zijn.
11. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser weinig tot geen authentieke verklaringen heeft gegeven omtrent zijn relatie en ervaringen. Ook dit standpunt is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Wat betreft het contact dat eiser gedurende een maand had met een Braziliaanse man in Amsterdam erkent de minister dat de verklaringen van eiser over het gedrag van de man enigszins authentiek zijn. Eiser heeft onder andere verklaard over het verschil in de houding van de man wanneer zij beneden waren en wanneer zij samen bij de man boven waren (p. 12 en 13 aanvullend gehoor). Volgens de minister zegt dit echter meer over de Braziliaanse man dan over eisers eigen seksuele oriëntatie. De minister wijst erop dat eiser heeft verklaard dat er geen verliefdheid was (p. 14) en dat de contacten met andere mannen ook enkel seksueel waren (p. 15). Niet valt in te zien waarom dit maakt dat de verklaringen van eiser over deze contacten niet authentiek zijn. Ook is aan eiser tegengeworpen dat hij niet heeft uitgelegd wat de Braziliaanse man voor hem betekende. Uit de verklaringen van eiser blijkt echter dat het enkel een seksuele relatie betrof en dat eiser geen verliefde gevoelens had. Eiser verklaart ook dat hij later heeft begrepen dat de man misbruik van hem maakte (p. 14). De rechtbank kan deze tegenwerping daarom ook niet goed volgen.
11. De minister stelt zich ook op het standpunt dat eiser vaag heeft verklaard over het bezoek aan het homocafé. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister niet meer aan eiser tegenwerpt dat hij de naam van het café niet meer weet en niet is teruggekeerd nadat hij daar uit angst is weggegaan. De minister werpt eiser nog wel tegen dat de uitleg van eiser hoe hij bij het café is terechtgekomen niet wordt gevolgd. De rechtbank kan volgen dat het
opmerkelijk is dat een andere Marokkaanse man op straat voorstelde om naar het homocafé te gaan, zonder dat eiser hem had verteld over zijn seksuele oriëntatie. De minister werpt eiser echter niet (meer) tegen dat zijn overige verklaringen over het homocafé onvoldoende zijn.
Beoordeling
Eiser heeft onder meer verklaard over hoe prettig hij zich daar voelde, maar dat hij – toen iemand hem vroeg of hij Marokkaans was – bang werd dat mensen erachter zouden komen en is weggegaan (p. 16 en 17). Dat de uitleg van eiser over hoe hij bij het homocafé is gekomen bevreemdend is, is naar het oordeel van de rechtbank dus niet voldoende om zijn bezoek aan dit café ongeloofwaardig te achten.
14. De minister werpt verder aan eiser tegen dat hij zich niet heeft verdiept in de situatie van LHBTI’ers, ondanks het feit dat hij al geruime tijd in Nederland is. Eiser heeft verklaard dat hij ziet dat er veel rechten zijn, maar dat hij niet weet wélke rechten dit zijn (p. 23 aanvullend gehoor). De rechtbank kan de minister volgen in de stelling dat eisers kennis beperkt is. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat de minister het referentiekader van eiser in dit verband (voldoende) heeft betrokken. Zo is niet kenbaar betrokken dat eiser (zo goed als) analfabeet is. De minister heeft hierover op de zitting gezegd dat eiser ook via organisaties kennis zou kunnen opdoen van de situatie van LHBTI. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting echter toegelicht dat eiser minderjarig was bij zijn binnenkomst in Nederland, en daardoor afhankelijk was van zijn voogd. Die heeft geprobeerd eiser in contact te brengen met het COC, maar omdat bij het COC Zwolle geen Arabischsprekende mensen zaten, hebben zij eiser doorverwezen naar Stichting Maruf. Die hebben echter laten weten dat zij jongeren onder de 18 jaar niet kunnen helpen. In zoverre heeft eiser dus niet als minderjarige via organisaties kennis kunnen krijgen over de situatie van LHBTI’ers in Nederland. De minister merkt op zichzelf terecht op dat eiser, ook nadat hij meerderjarig is geworden, geen pogingen heeft ondernomen om met organisaties in contact te komen. Eiser geeft daarvoor echter de volgende verklaring: “Ik heb geen poging gewaagd. En nogmaals, dat komt ook door de onrust en de onderdrukking waar ik op dit moment zit.” (p. 23) Naar het oordeel van de rechtbank had de minister deze verklaring van eiser – die raakt aan zijn angstgevoelens – ook als onderdeel van zijn referentiekader moeten betrekken. Wat betreft de angstgevoelens van eiser volgt de rechtbank de minister niet in zijn standpunt dat de verklaringen van eiser hierover (over waarom hij ook in Nederland nog angst ervaart vanwege zijn geaardheid, en over hoe het is om gevoelens geheim te houden) onvoldoende zijn. Eiser heeft hierover verklaard: “Het is niet goed om die gevoelens te verbergen. Je moet eigenlijk leven zoals je wil leven.” (p. 20). Als dan doorgevraagd wordt over wat eiser tegenhoudt, verklaart eiser onder andere: “Angst, dat is het enige”, en: “Op het AZC waar ik verblijf zijn er geen homoseksuelen. Dat maakt het voor mij heel erg lastig en moeilijk om mijzelf te zijn en om het bekend te maken. In een café voel ik mij mezelf, ik ben los.” (p. 21) Als eiser gevraagd wordt waar hij bang voor is in de situatie waarin hij nu zit (in een AZC) verklaart eiser: “Ik zou misschien vermoord kunnen worden.” (p. 21) Het is de rechtbank niet duidelijk waarom deze verklaringen onvoldoende inzicht zouden bieden in de angst van eiser. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit het dossier blijkt dat op 7 juli 2024 door LGBT [stichting] is verzocht om overplaatsing van eiser uit AZC [plaats] , omdat hij zich daar niet veilig voelde. De rechtbank volgt de minister ook niet in de stelling dat het opvallend is dat eiser zich wel op datingapps durft te vertonen als homoseksueel en seksueel contact heeft gehad met mannen en tegelijkertijd aangeeft dat hij met niemand over zijn homoseksuele geaardheid spreekt. Eiser wijst er terecht op dat het gebruik van datingapps niet vergelijkbaar is met in je dagelijkse omgeving vertellen dat je homoseksueel bent. Voor zover de minister dat stelt, maakt dit de angstgevoelens van eiser in zijn dagelijkse omgeving dus niet ongeloofwaardig.
15. De minister werpt eiser ook tegen dat hij weinig kennis heeft over de situatie van LHBTI’ers in Marokko. Eiser kan hierover alleen verklaren dat homoseksualiteit in Marokko nooit geaccepteerd zal worden, omdat het een islamitisch land is (p. 23 aanvullend gehoor). Eiser verklaart ook dat hij, als hij in Marokko op dezelfde manier leeft als hier, misschien wel vermoord zou worden (p. 25). De rechtbank kan ook hier volgen dat de kennis van eiser over de situatie van LHBTI in Marokko gering is. Ook op dit punt heeft de minister echter niet kenbaar het referentiekader van eiser betrokken, zoals de omstandigheid dat eiser (zo goed als) analfabeet is, opgegroeid is bij nomadenstammen in de Westelijke Sahara en op jonge leeftijd uit Marokko is vertrokken. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat eiser hierdoor minder kennis heeft van hoe in de Marokkaanse maatschappij wordt aangekeken tegen LHBTI’ers.
15. Het voorgaande betekent dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt.
17. Hieruit volgt ook dat de overweging dat Marokko voor eiser een veilig land van herkomst omdat hij niet zou behoren tot de uitzonderingsgroep LHBTI, niet in stand kan blijven. Ook is de asielaanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om het betoog van eiser hierover hier uitgebreider te bespreken.
Het risico bij terugkeer in verband met seksuele activiteit
18. Eiser voert nog aan dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiser alleen al vanwege zijn seksuele activiteiten risico loopt bij terugkeer naar Marokko. De minister heeft namelijk niet betwist dat eiser veel seksueel contact had en heeft met mannen. Eiser wil dit voortzetten in Marokko. Uit de bijlage bij de Brief “herbeoordeling veilige landen van herkomst Georgië, Marokko en Tunesië” van 11 mei 2023 blijkt dat dit in Marokko verboden is en tot strafvervolging kan leiden. Eiser heeft ter onderbouwing van dit punt screenshots van zijn contact met een man overgelegd.
18. De rechtbank overweegt als volgt. In het bestreden besluit wordt niet betwist dat eiser seksuele contacten heeft met mannen. De minister heeft op de zitting erkend dat uit de screenshots ook wel blijkt dat eiser contact heeft met andere mannen. Volgens de minister hoeft het risico dat dit zou opleveren bij terugkeer echter niet beoordeeld te worden, omdat de homoseksuele geaardheid niet wordt gevolgd. De rechtbank volgt dit niet. Nu de minister volgt dat eiser seksuele contacten heeft met mannen en eiser verklaart dit bij terugkeer te willen voortzetten, ligt het op weg van de minister om in te gaan op de door eiser overgelegde informatie en te motiveren waarom dit er niet toe leidt dat eiser bij terugkeer naar Marokko risico loopt. Deze beroepsgrond slaagt ook.