Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-31
ECLI:NL:RBDHA:2025:17764
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,476 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL22.22848
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, geboren op [geboortedatum] 1988, met de Belarussische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
1.1.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 november 2022 niet in behandeling genomen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
Op 16 november 2022 heeft eiser verzocht om aanhouding van de behandeling van zijn zaak, in afwachting van prejudiciële vragen die door deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch gesteld waren aan het Hof van Justitie. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.
1.3.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 16 december 2022 een voorlopige voorziening getroffen waarmee de rechtsgevolgen van het bestreden besluit zijn opgeschort totdat op het beroep van eiser is beslist.
1.4.
Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 29 februari 2024 antwoord gegeven op deze prejudiciële vragen. De minister heeft op 27 maart 2024 een schriftelijk standpunt ingediend over dit arrest.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.A. Avakyan als tolk in de taal Russisch en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regels staan in de Dublinverordening. De minister neemt in beginsel een asielaanvraag niet in behandeling als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
5. Uit EU-VIS is gebleken dat eiser door Polen in het bezit is gesteld van een Schengenvisum, geldig van 9 juli 2021 tot 7 juli 2022. Nederland heeft op 21 september 2022 Polen verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 12, tweede of derde lid, van de Dublinverordening. De autoriteiten van Polen hebben dit verzoek tot terugname op 28 september 2022 aanvaard. De verantwoordelijkheid van Polen voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.
Mag de minister ten aanzien van Polen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser voert aan dat de minister ten aanzien van Polen niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In Polen worden stelselmatig grondrechten geschonden. Ook worden er miljoenen vluchtelingen uit Oekraïne in Polen opgevangen.
6.1.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel houdt in dat de minister erop mag vertrouwen dat lidstaten van de Europese Unie vreemdelingen in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdragen het recht van de Europese Unie zal behandelen. Het is in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.
6.2.
In zijn arrest van 29 februari 2024 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het feit dat de lidstaat – die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van een derdelander – overgaat tot pushbacks en bewaring aan zijn grensposten van derdelanders die een dergelijk verzoek aan zijn grens wensen in te dienen, op zich niet in de weg staat aan de overdracht van die derdelander aan die lidstaat. De overdracht van die derdelander aan die lidstaat is evenwel uitgesloten indien er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij of na de overdracht een reëel risico zou lopen om aan dergelijke praktijken te worden onderworpen en hij door deze praktijken – naargelang van de omstandigheden die moeten worden beoordeeld door de bevoegde autoriteiten en door de rechter bij wie eventueel beroep tegen het overdrachtsbesluit is ingesteld – zou kunnen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële ontberingen die zo ernstig is dat deze kan worden gelijkgesteld met een door artikel 4 van het Handvest verboden onmenselijke of vernederende behandeling.
6.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest van 29 februari 2024 volgt dat het plaatsvinden van pushbacks en de inbewaringstelling van derdelanders die een verzoek om internationale bescherming willen indienen in een lidstaat, niet maakt dat de minister ten aanzien van die lidstaat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daarvoor is nog steeds vereist dat er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat een derdelander bij of na de overdracht aan die lidstaat een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het Handvest. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 december 2024 bevestigd dat de bewijslast hiervoor nog steeds bij de desbetreffende derdelander ligt.
6.4.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 4 september 2024 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Polen nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet kan. Hij heeft zijn stelling over schendingen van de grondrechten in Polen niet nader onderbouwd. Eiser heeft ook niet uitgelegd waarom de toestroom van Oekraïense vluchtelingen in Polen zou maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
6.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het bestreden besluit onevenredig hard?
7. Eiser voert aan dat overdracht aan Polen in zijn geval onevenredig hard is. Eiser is namelijk al sinds juli 2022 in Nederland en heeft hier niet stil gezeten.
7.1.
De minister kan besluiten een asielaanvraag te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de Dublinverordening. Dit staat in artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening. Uit paragraaf C2/5 van de Vc 2000 volgt dat de minister in ieder geval gebruik maakt van deze bevoegdheid als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. Volgens dezelfde paragraaf maakt de minister terughoudend gebruik van deze bevoegdheid.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in eisers geval geen bijzondere, individuele omstandigheden spelen die maken dat overdracht aan Polen van onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank erkent dat de procedure van eiser lang heeft geduurd, maar stelt vast dat de duur van zijn procedure wel binnen de termijnen is gebleven die de Dublinverordening stelt. In beginsel mag de minister dan het verloop van de procedure afwachten. Eiser heeft verder ook geen omstandigheden gesteld op grond waarvan het onevenredig hard zou zijn dat de minister na ommekomst van deze periode vast blijft houden aan de overdracht aan Polen.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
ECLI:NL:RBAMS:2022:7586).
ECLI:EU:C:2024:195.
Verordening (EU) 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Visum Informatiesysteem.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:5359.
ECLI:NL:RVS:2024:3455 en ECLI:NL:RVS:2024:3456.
Vreemdelingencirculaire 2000.